GESCHIEDENIS - Slowakije



de "kelten" en de "hongaren"


Voor zo ver bekend waren de vroegste bewoners van Tsjechië en Slowakije de Boii, Keltische stammen die zich rond 200 voor Christus eerst in Bohemen zou hebben gevestigd. Daarna vestigden zich rond het begin van de jaartelling Germaanse stammen: Quaden en Asdingen. Deze verdwenen of reorganiseerden zich in andere stamverbanden in het verloop van de grote Volksverhuizingen die nomadenstammen uit het oosten hierheen brachten, vooral opgejaagd door de explosieve Hunneninvallen na 400. Deze nomadenstammen werden als regel geleid door Mongoolse en proto-Turkse militaire kastes, maar waren overigens zeer gemengd en bestonden uit Finse, Germaanse en Slavische bevolkingsbestanddelen. Het begon rond 350 na Chr. met de Gepiden die werden opgevolgd door de “Avaren” rond 570. In het Avaarse Rijk rijk vestigden zich Slavische stammen vanuit het noorden. De Avaarse macht verzwakte door de expansie van de Franken onder Karel de Grote en dat gaf ruimte aan de oprichting, onder de Frankische koopman-avonturier Samo, van een Groot-Moravisch Rijk waartoe ook westelijk Slowakije behoorde. Dit rijk had een enigszins stabiele staatsvorm maar was niet bestand tegen de invasie van de Hongaren die rond 900 de Frankische macht terugdrongen en Slowakije deel maakten van het koninkrijk Hongarije.

 

In de Slowaakse laagvlakten vestigden zich rond 900 Hongaren, terwijl in de heuvelachtige en berggebieden Hongaarse adel het gezag over de Slowaken kreeg, overigens samen met de Slowaakse adel die in deze Hongaarse adellijke bovenlaag zou opgaan. Het enige gedeelte wat niet door de Hongaren bezet werd was het “Spis” regio – deze werd tussen 1412 en 1772 door  de Polen geannexeerd. De Slowaken mochten van de Hongaren hun eigen taal, cultuur en mochten zelfs land bezitten; het Slowaaks is ondanks de negen eeuwen durende achterstelling behouden gebleven. Reeds in 1297 kregen de Hongaren (en Slowaken) in Slowakije te maken met aanvallen uit het Oosten van de Tartaren. Om het land beter te beschermen werden in de 13de en 14de eeuw mijnwerkers en handelaren uit Saksen in een aantal nieuw opgerichte steden nabij zilverertsmijnen gevestigd; zij werden geëxploiteerd met kapitaal uit het Duitse Rijk. Deze gebieden werden weldra het rijkste deel van het Hongaarse koninkrijk. Een aantal van de steden behield tot 1945 (restanten van) een Duitstalige burgerij.


Als onderdeel van het Habsburgse Rijk


Ondanks de annexatie van hun rijk waren de Slowaken enigszins tevreden met de Hongaren. Maar in de 15e en 16e eeuw werd het gebied van het latere Tsjecho-Slowakije door godsdienstoorlogen geteisterd. Reeds een eeuw voor de reformatie woedden er de Hussietenoorlogen ontketend door de volgelingen van Johannes Hus die in 1415 als ketter was verbrand. Uit deze tijd stamt de nauwe verbinding van de Tsjechische cultuurtaal met de Slowaakse dialecten. Toen, in de 16de eeuw, het grootste deel van Hongarije door het Ottomaanse Rijk werd veroverd, werd het onbezette restant, waaronder Slowakije, in 1526 onder de Habsburgse kroon gebracht, en daarmee in feite een deel van Oostenrijk. Na 1530 kreeg het Lutheranisme, nadat de Duitstalige stedelijke burgerijen het hadden overgenomen, ook vaste voet op het Slowaakse platteland. De contra-reformatie onder Habsburgse leiding zou de meeste Slowaken echter onder dwang naar de Kerk van Rome terugvoeren, maar terwijl het Hussitisme fel werd bestreden mochten de Lutheranen uiteindelijk een eigen minderheidskerk organiseren en daarin vonden vele voormalige Hussieten een plaats. De nooit verbroken verbindingen met Duitsland en Oostenrijk geven de historische architectuur van de Slowaakse steden nog steeds een opvallend Midden-Europees uiterlijk.

 

Nadat de Turken in 1526 Boedapest hadden veroverd, werd Pressburg (Bratislava) de tijdelijke hoofdstad van Habsburgs Hongarije. In 1683 werd aan de expansie van het Ottomaanse Rijk een halt toegeroepen toen de Turkse troepen voor Wenen verpletterend werden verslagen door de Oostenrijkse Habsburgers. Slowakije maakte een zeer (economische) moeilijke tijd door aangezien de (nieuwe) Europese grootmachten vanwege de Turkse oorlogen en de gevolgen daarvan andere landen hadden gevonden om zaken mee te doen. Ondanks het feit dat onder keizerin Marie-Theresa en keizer Jozef II de Slowaken het weer ietsje beter kregen ontstond eind 18e eeuw een nationaal gevoel bij de Slowaken. Eerst nog onder alleen de elite, later ook onder de midden- en lagere klassen. In 1848 toen Revoluties aan de orde van de dag waren in Europa was Slowakije rijp voor verandering. Hongarije probeerde zich te ontworstelen van de Oostenrijkse Habsburgers en de Slowaken riepen de onafhankelijkheid uit. Als gevolg van Russische interventie konden de Oostenrijkers orde op zaken stellen – zij sloegen de rebellie neer en voerden Duits in als de belangrijkste taal, zelfs in Hongarije. Maar het Oostenrijkse Habsburgse Rijk had behoorlijk te leiden gehad en zou na een verloren oorlog tegen de Pruisen in 1867 een dubbelmonarchie met Hongarije opzetten. De Hongaren uitten hun frustratie op de Slowaken en er werd een fel en bruut “Hongarisatie” systeem opgezet. Alleen Hongaarse taal mocht nog onderwezen worden en grote stukken Slowaaks land werd aan Hongaren gegeven. In het openbaar bestuur verdween het Slowaaks totaal en de scholen werd verregaand verhongaarst. Dat maakte dat in 1914 de helft van de Slowaken nog als semi-alfabeet beschouwd moest worden. Het Slowaakse nationalisme was zwak en stond aanvankelijk grotendeels onder leiding van de geestelijken, vooral die van de Lutherse minderheid. Zij cultiveerden de volkstaal in preek en catechisatie en onderhielden contact met Tsjechische nationale leiders.


ww1 en het interbellum


Tijdens de WWI waarin de Slowaken (net als de Tsjechen) vochten voor het Habsburgse Rijk (de Centralen) deserteerden velen en vochten zelfs tegen hun eigen Koninkrijk waar ze zich allang geen deel meer van voelden uitmaken. Na de ineenstorting van Oostenrijk-Hongarije in 1918, na de Eerste Wereldoorlog werd Slowakije deel van de nieuwe staat Tsjecho-Slowakije. De Tsjechen waren dolgelukkig, de Duitsers zeer ongelukkig, veel Slowaken, waaronder Milan Rastislav Štefánik vonden echter dat de Tsjechen, die weldra massaal als ambtenaren binnenstroomden, een te dominante rol speelden. Een en ander was een gevolg van het vrijwel ontbreken van een Slowaakse elite. Het Slowaakse nationalisme radicaliseerde, vooral in katholieke kring, en werd fascistisch. De roep om afscheiding en vorming van een eigen staat nam toe. In 1938 was het zover, toen Duitsland met internationale instemming (Conferentie van München) het Sudetenland mocht annexeren en daarna het restand van Tsjechië tot de status van vazalstaat - het protectoraat Bohemen en Moravië - dwong. Slowakije verklaarde zich nu onafhankelijk onder president Jozef Tiso. De tol die het nieuwe land moest betalen was de afstand aan Hongarije van de door Hongaren bewoonde zuidelijke grensgebieden en van de oostelijke provincie, de Karpathen-Oekraïne – in totaal ruim 20% van het Slowaakse land. 


ww2


Het Slowaakse parlement riep op 14 maart 1939 de onafhankelijkheid uit. Op 23 maart 1939 sloot de Slowaakse Republiek een veiligheidsverdrag met nazi-Duitsland, waardoor Duitse divisies in Slowakije gestationeerd konden worden (zo ongeveer langs de gehele westgrens met Moravië – Zilna t/m Bratislava). Slowakije werkte nauw samen met nazi-Duitsland en diende tot een van de drie uitvalsbases van het Duitse leger tijdens de Poolse campagne. Het zond gastarbeiders naar Duitsland, en dienstplichtigen mochten in de Waffen-SS hun dienst vervullen. Slowaakse legereenheden namen in 1941 deel aan de invasie van de Sovjet-Unie. Toch waren in de Slowaakse berggebieden al eind 1940 communistische partizanen actief. Vanaf 1942 werd de internering en deportatie van 70.000 Slowaakse Joden voor een groot deel door Slowaakse politie ten behoeve van de SS uitgevoerd. Hieronder zijn niet degenen gerekend die op door Hongarije geannexeerd gebied woonden, en die de helft uitmaakten van het aantal Joden vóór 1938. Langzaam aan groeide onder de Slowaken een anti-Duitse stemming, die toenam naarmate de Slowaakse legereenheden aan het Oostfront in de Sovjet-Unie werden gedecimeerd en de Duitse legers zich moesten terugtrekken. Nadat duidelijk werd dat de Duitse nederlaag niet meer tegen te houden was, brak op 29 augustus 1944 een nationale opstand uit, die door de Duitsers en Slowaakse fascisten werd neergeslagen. De opstand zou na twee maanden door 35.000 Duitse soldaten neergeslagen worden. Hierna kwam Slowakije onder direct Duits gezag en vonden de laatste deportaties van Joden plaats, waarbij Dieter Wisliceny en Adolf Eichmann een sleutelrol speelden. Het Rode Leger veroverde Slowakije begin 1945 en herenigde het met Tsjechië in een Tsjecho-Slowakije dat overigens de oostelijke provincie Karpathen-Oekraïne ook wel Roethenië niet terug kreeg van de Sovjet-Unie. Het door Hongarije geannexeerde zuiden werd weer Slowaaks. Enkele honderdduizenden Slowaakse Duitsers en Hongaren werden verdreven. In ruil werden tienduizenden Slowaken uitgezet die zich sinds de 18de eeuw in Hongarije gevestigd hadden. Een vijfde deel van de 80.000 Slowaakse Joden overleefde, velen door naar Hongarije te vluchten. Een groot aantal Slowaakse fascisten vluchtte begin 1945 naar het westen.



Communistisch Tsjecho-Slowakije


Na de oorlog werden Tsjechië en Slowakije weer bij elkaar gevoegd door een besluit van de Geallieerden terug te keren naar de territoriale verdeling volgens het Verdrag van Versailles. In 1948 werd het land communistisch onder Klement Gottwald. De communisten confisqueerden kerken en ontmoedigden het geloof in een onafhankelijk Slowakije. Wederom werd Slowakije overvleugeld door Tsjechie – de partij was gesitueerd in Praag en gedomineerd door Tsjechen. Maar er werd ook een groot industrialiseringsprogramma gestart. Hierdoor raakte het traditioneel landelijke Slowakije in hoog tempo geïndustrialiseerd. Met name de wapenindustrie werd ontwikkeld, met het oog op export naar de Sovjet-Unie. In 1989 bevond zich 80% van de Tsjecho-Slowaakse wapenindustrie in Slowakije. In de jaren 50 volgde zware repressiemaatregelen die het land bijna in een faillissement drukte – duizenden mensen eindigden in werkkampen waar velen het leven lieten. Vaak was alleen de hoop op democratie de aanleiding. Begin 1968 moest Novotný als secretaris-generaal van de partij plaats maken voor de Slowaak Alexander Dubček. Diens aantreden, voortvloeiend uit hervormingsdrang bij een aantal partijfunctionarissen en Slowaaks streven naar autonomie, luidde de zogenaamde Praagse Lente in. Deze leidde tot een groot aantal democratiseringsmaatregelen, maar in augustus 1968 bezetten troepen van het Warschaupact de republiek. Dubček werd in 1969 vervangen door Gustáv Husák, die vrijwel alle maatregelen geheel terugdraaide.

 

In de jaren '70 vonden wederom grootschalige zuiveringen plaats en verstarden politiek en economie. Het verzet tegen het repressieve beleid groeide echter. In 1977 ontstond de burgerrechtenbeweging Charta 77 vanwege een rechtszaak rond een rock groep. De critici werden vervolgd, maar de regering kon de oppositie niet geheel doen uitdoven. De spanningen kwamen in 1989 wederom naar boven in openlijk verzet van de bevolking. Maar dat kwam pas nadat de muur in Berlijn was gevallen – de communistische partij weigerde aanvankelijk op te stappen. Pas nadat, notabene door de communistische jeugd beweging georganiseerde bijeenkomst vanwege de herinnering aan de dood van 9 studenten in 1939 door de nazi’s liep het uit de hand. Honderd mensen werden opgepakt en de volgende dag stond een veelvoud te demonstreren. Het sloeg over op andere steden en een paar dagen later stonden er driekwart miljoen mensen op “Letna” heuvel in Praag en was het einde nabij. Op 18 november werd het Burgerforum van Václav Havel opgericht. In de eerste vrije verkiezingen sinds 1946 kregen het Burgerforum en zijn Slowaakse tegenhanger Publiek Tegen Geweld in 1990 een meerderheid in het parlement. In de kortstondige Derde Tsjecho-Slowaakse Republiek die na deze Fluwelen Revolutie (omdat er geen dode of gewonde was gevallen) een feit was, werd de naam van de staat veranderd in Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek. Men voerde een parlementaire democratie in en voerde economische hervormingen door. Een overheersend probleem was nog steeds het etnische vraagstuk en per 1 januari 1993 splitste Tsjecho-Slowakije zich vreedzaam in de republieken Tsjechië en Slowakije na vele pogingen en referenda. 



onafhankelijkheid


De stap van communisme naar kapitalisme in Slowakije was aanvankelijk geen groot succes. Dictator “Meciar” werd eerste president maar zou al snel worden weggestuurd voor onvoldoende vertrouwen. Maar in 1994 was hij terug en zou een derde van de stemmen krijgen; vooral van gepensioneerden, arbeiders en mensen uit kleine dorpen. De stedelingen en studenten stemden vooral op linkse partijen. Waar iedereen al bang voor was gebeurde; de Slowaakse taal werd de enige officiële (m.a.w. de Hongaarse taal werd verboden) en onafhankelijke radiostations en kranten werden bedreigd dat ze maar beter geen kritiek konden leveren op de regering. Onder zware druk van de EU en de Verenigde Staten hield “Meciar” zich in en zou een paar later worden weggestemd. 1 mei 2004 trad Slowakije toe tot de Europese Unie. De verrassende uitkomst van de op 3 en 17 april 2004 gehouden presidentsverkiezingen, waarin Ivan Gašparovictot president werd gekozen, wordt door velen toegeschreven aan de steun van de sociaaldemocratische oppositiepartij SMER. De regeringsleider is Robert Fico sinds 4 juli 2006. In juli 2008 geeft de EU het groene licht aan Slowakije om per 1 januari 2009 de Euro in te voeren. In april 2009 wordt Ivan Gašparovic herkozen als president. De relaties met Hongarije worden nog altijd vertroebeld door het onverwerkte verleden, en de voortgaande discriminatie van het Hongaars als minderheidstaal en algemene verkeerstaal in het zuiden van het land moet van tijd tot tijd door de Europese Unie en in de Raad van Europa (zie ook CVSE) aan de orde gesteld worden.


slowakije nu


In juli 2010 wordt Iveta Radicova premier van een centrumrechtse coalitie na verkiezingen in juni. In oktober 2011 valt de coalitie over een bezuinigingsplan van de EU. Er komen vervroegde verkiezingen in maart 2012. Deze verkiezingen worden gewonnen door de linkse oppositiepartij Smer onder leiding van Robert Fico die ook tot nieuwe premier wordt gekozen. Bij regionale verkiezingen in november 2013 wint de uiterst rechtse anti-Roma partij ons Slovenië één van de provincies. De andere provincies worden geregeerd door de sociaaldemocraten van Fico. In maart 2014 wint Andrej Kiska de presidentsverkiezingen. Sinds maart 2016 is Fico premier van een coalitieregering nadat zijn partij de verkiezingen won. Twee jaar later, in 2018, wordt Fico verplicht af te treden ten gunste van z’n vicepremier Pellegrini. Er ontstond een politieke crisis na de moord op onderzoeksjournalist Jan Kuciak. Deze onderzocht verbanden tussen de Italiaanse maffia en regeringskringen waarbij EU geld zou zijn misbruikt.

 

 

In Maart 2019 wint Zuzana Caputova de verkiezingen. Zij wordt de eerste vrouwelijke president van het land. Caputová is vicevoorzitter van de in 2017 opgerichte politieke partij Progresívne Slovensko, die pro-Europa is en onder meer opkomt voor het milieu en lhbt-rechten. De progressieve politica stoelde haar campagne op de belofte de corruptie in het Oost-Europese land aan te pakken. De Slowaakse oppositiepartij Ordinary People (OLANO) heeft de parlementaire verkiezingen in Maart 2020 gewonnen. Na OLANO volgt de centrumlinkse partij Smer met 18,5 procent, dat de vorige verkiezingen nog won met 49 van de 150 zetels. De Slowaakse premier Peter Pellegrini erkende namens Smer een verkiezingsnederlaag te hebben geleden. De pro-Europese partij OLANO boekte de laatste weken veel terreinwinst op andere politieke partijen door een intensieve anticorruptiecampagne te voeren. Een centrumrechtse coalitie met diverse liberale en conservatieve partijen ligt volgens analisten in het verschiet.


zie ook: