Geschiedenis (achtergrond) - Polen

"Teutonische orde"


ontstaan en doel van de orde


Op het einde van de 12e eeuw ontstond naast de Tempeliers en de Johannieters een derde geestelijke militaire ridderorde, al gauw kortweg genoemd de Duitse of Teutoonse Orde. Het waren ridders uit het Duitse Rijk, waartoe in de Middeleeuwen ook de Nederlanden en Bourgondië behoorden. Zij richtten bij Akko een veldhospitaal in, speciaal voor de verzorging van Duitse kruisvaarders bij de Derde Kruistocht. Na de inname van Akko werd binnen de muren van de stad een vast hospitaal opgericht en er traden al vlug andere leden toe. Zij genoten de bescherming en de gunst van keizer en paus en in 1196 ontvingen zij de algemene ordeprivileges. De orde had twee doelen; naast militaire beveiliging van de veroverde gebieden in het Heilige land namen ze de verzorging en verpleging op zich van gewonde kruisvaarders. Aan het hoofd van de Duitse Orde stond een Grootmeester en zij waren gehuld in witte kleden met een zwart kruis. In tegenstelling tot de Tempeliers en de Johannieters had de Duitse Orde van meet af aan een nationaal karakter. Immers door Duitsers gesticht op initiatief van kooplieden uit de de Hanzesteden Lübeck en Bremen, liet zij slechts edelen toe uit het Duitse Rijk.



Groei


Na de definitieve verdrijving van de kruisvaarders uit het Heilige Land in 1291 verloor de Orde de facto haar bestaansrecht. Vervolgens richtte zij zich op de enorme bezittingen die zij inmiddels had verworven in Spanje, Hongarije, Roemenië en het Duitse Rijk. In de traditie van de feodaliteit stelde zij zich ten dienste van wereldlijke vorsten in ruil voor land waarop zij haar burchten als steunpunten vestigde. Zo volgde een periode van expansie wat te danken was aan de bemiddeling die zij kon verlenen in de voortdurende machtsstrijd tussen de keizers van het Heilige Roomse Rijk en de paus, en in de hulp die zij gaf bij de verdediging tegen heidense volken die vanuit het zuid- en het noordoosten de christelijke rijken, met name Hongarije en Polen, van tijd tot tijd binnenvielen. De Orde dankte haar snelle bloei ook aan de expertise in verzorging van zieken, opgedaan tijdens de kruistochten in het Heilig Land. Het waren hospitaalridders die ervaring opgedaan hadden bij de Arabieren en zij leerden veel van de Byzantijnse ziekenzorg. Deze hospitalen waren ook noodzakelijk in de thuislanden langs de bedevaarstwegen en de steden die in die periode een grote bevolkingstoename kenden. Vele adellijke en religieuze schenkers gaven de bedoeling te kennen een ziekenhuis te stichten. Daarbij werden bestaande hospitalen overgedragen aan de Duitse Orde.


verovering van pruisen en de baltische staten


De Poolse hertog Koenraad van Mazovië riep in 1226 de hulp in van de ridderbroeders in de strijd die hij aan de noordgrens van zijn hertogdom voerde tegen de Pruzzen, een stammengroep die een Baltische taal sprak en nog steeds heidens was.De ridders stichtten in totaal 120 burchten, eerst langs de Weichsel en de Oostzeekust, van Thorn tot Koningsbergen, en in 1252 als laatste Memel. In het Pruzzische binnenland werden nog tot omstreeks 1400 burchten opgericht als steunpunten. De Pruzzen werden na enkele heftige opstanden in 1281 definitief onderworpen door de Duitse ridders, daarin bijgestaan door edelen uit Engeland en Frankrijk die in de kerstening van het heidense Pruzzenland een nieuwe heilige opdracht (en ook vaak een adellijke sport) zagen. In deze strijd is een groot deel van de Pruzzen omgekomen of naar de hen verwante Litouwers gevlucht. Stamhoofden die zich onder het gezag van de Duitse Orde schikten, behielden hun positie en zouden een basis gaan vormen voor de latere Pruisische adel.

 

Tijdens de Lijflandse Kruistocht werd Lijfland door de Orde van de Zwaardbroeders en de bisschop van Riga veroverd. In 1237 werd de Orde van de Zwaardbroeders opgenomen in de Duitse Orde wat een nieuwe tak betekende die kortweg de Lijflandse Orde ging heten. Hiermee verkreeg de Orde een groot territorium van Dantzig tot Reval. Het was uniek in de Middeleeuwen dat een geestelijke orde een eigen land bezat van een dergelijke grootte. Een verdere oostwaartse expansie, waarbij het Oosters-orthodoxe Rusland onder het gezag van Rome gebracht zou moeten worden, werd in 1242 gestuit door Alexander Nevski in de Slag op het IJs, waarmee deze een legendarische Russische held werd. In 1309 verhuisde de grootmeester van de Orde zijn zetel van Venetië naar de Marienburg in het huidige Polen, waar nog steeds een van de grootste gotische burchten van Midden-Europa staat. Een bloeitijd van bijna 100 jaar zou beginnen.


kolonisatie


Het gebied van de Duitse Orde werd op een voor de 13e eeuw uitzonderlijk rationele manier georganiseerd: een net van verkeers- en communicatiewegen met op regelmatige afstanden burchten als militaire en bestuurlijke steunpunten, waarin een modern aandoende ambtenarenkaste met strak omschreven plichten en bevoegdheden de dienst uitmaakte. Bij hun burchten werden kleine steden opgericht ter bevordering van handwerk en handel. De bevolking voor deze stadsvestigingen kwam uit het toenmalige Duitse Rijk, en dus ook uit het huidige Nederland en België. De naam van de stad Preussisch Holland getuigt daar nog van, of beter getuigde daarvan want in 1945 werd zij omgedoopt tot Pasłęk. Nadat, vooral door ziektes de lokale bevolking behoorlijk was uitgedund werd deze door boerenkolonisten uit het Duitse rijk opgevuld. Het Pruzzisch was in de 17e eeuw dan ook grotendeels verdwenen. Naast Litouwstalige in het oosten (Klein-Litouwen) en Koerstalige minderheden in het noorden (Koerse Schoorwal) werden er vooral Nederduitse en (in mindere mate) Middelduitse dialecten gesproken. Na de reformatie werd het Hoogduits geleidelijk de officiële taal van bestuur en kerk, maar in de Hanzesteden Danzig en Elbing bleef het Nederduits nog lang de officiële taal.



de teloorgang


Het eerst zo succesvolle bestuur was niet flexibel en liep gaandeweg vast in rigiditeit en ondervond steeds meer tegenstand in de zich ontwikkelende grotere steden, zoals Thorn, Danzig en Elbing, welke naar autonomie streefden. Dat leidde tot een oorlog waarin de Poolse koningen een kans zagen om Pruisen onder hun gezag te brengen. Na een eerste nederlaag voor de Orde in 1410 bij de Slag bij Tannenberg tegen de Polen onder Wladislaus II bleef de schade voor de Orde nog beperkt. In de erop volgende Dertienjarige Oorlog (1453-1466) waarbij Polen gesteund werd door de opstandige steden Danzig, Thorn en Elbing, kwam de definitieve overwinning voor de Poolse koning Casimir IV in de Tweede Vrede van Thorn. De Duitse Orde moest het Kulmerland, Neumark en Pommerellen met genoemde steden als ook de Marienburg, aan Polen afstaan als het Koninklijk Pruisen. Het hoofdkwartier van de Duitse Orde verhuisde naar Koningsbergen.

 

In 1525 ging grootmeester Albrecht van Brandenburg-Ansbach uit het huis Hohenzollern tot de reformatie over, huwde en veranderde Pruisen in het erfelijke Hertogdom Pruisen. Uit zijn nageslacht is het Pruisische koningschap ontstaan dat in de 17e eeuw zijn zwaartepunt naar het westen (Berlijn-Brandenburg) verlegde. De naam Pruisen ging daarbij over op Brandenburg-Pruisen. Oost-Pruisen bleef bestuurd door enkele honderden ordensridders, die samen met de Pruisische adel de basis zouden gaan vormden van de latere Oostpruisische adel. Het wereldlijk gebied van de Orde bestond toen nog uit Lijfland (noordelijk Letland en zuidelijk Estland) en Koerland (zuidelijk Letland), plus de kleinere gebieden in het Duitse Rijk. Aan het gezag van de Orde in Lijfland kwam in 1562 een einde, toen tijdens de Lijflandse Oorlog Rusland, Polen en Zweden delen ervan bezetten.


nazi duitsland


De nationaalsocialisten annexeerden het concept van de Duitse Orde, uiteraard los van de instellingen die er de erfgenamen van waren, en lijfden het in binnen hun eigen Weltanschauung. Zij achtten hun ideologie de geestelijke uitdrukking van het Wezen waaruit de Orde in de Middeleeuwen was ontsproten. Een uiting daarvan was de oprichting van kaderscholen voor de nazi-elite in speciaal opgerichte zogenaamde Ordensburgen. De architectuur en de ligging van deze grote gebouwencomplexen verwezen naar de middeleeuwse burchten in Pruisen.


zie ook: