Reisverhalen - Polen

"Marlbork", "torun" en "lodz"



teutonisch hoofdkwartier


Na een vrij korte busrit vanuit Gdansk komen we aan in het veel kleinere Marlbork. Bij het gigantische rode Teutoonse fort “Marienburg”, waar de stad Marlbork vooral bekend om is, zien we dat als we om half zes vanavond een toer doen we de halve prijs betalen en we besluiten later terug te komen. Het is mooi weer en we vinden aan de rivier een groot terras onder hoge bomen liggen met houten meubelen. Ik pak naald en draad en probeer mijn sandaal te maken terwijl we een biertje bestellen en later een bord eten.


ridders der teutonen


Dan is het tijd om terug te gaan wat 150 jaar het hoofdkwartier van de Teutoonse orde is geweest en we verheugen ons om dit enorme bouwwerk wat in de WWII  voor 60% vernietigd was, in te gaan. Het werd vanaf 1933 door de nazi’s als eindpunt voor nationaal-socialistische pelgrimstochten gebruikt, ondernomen door de Hitlerjugend en Bund Deutscher Madel. In 1934 werd er een amfitheater aan de oostkant van het kasteel toegevoegd. Interessant om te weten is dat "Marienburg" gebruikt is als blauwdruk voor de order-kastelen van het Duitse Derde Rijk (Ordensburg Krössinsee, Ordensburg Vogelsang and Ordensburg Sonthofen).  

 

We wandelen langs wat verklede ridders met hun witte kleden en zwarte kruizen, de kasteelbrug over en zien de spijlen en de grote deur die de vijand buiten moesten houden. We wanen ons in de Middeleeuwen met zwart-witte vloertegels, balustrades, waterbronnen en binnentuinen. Het kasteel is meer dan een eeuw het hoofdkwartier geweest van de door een bijna cultstatus gebombardeerde ridders van de Teutoonse orde. Het complex is in gedeeltes gebouwd (vanaf het jaar 1274)– eerst het “hoge kasteel” en later het middelste en lagere gedeelte. Omringd door drie ringen van verdedigingsgordels gesterkt door kelders en torens. Het verdedigingswerk is eenmaal veroverd geworden – door het Poolse leger in 1457 tijdens de 13-jarige oorlog toen de kracht van de ridders al tanende was. De Duitse Orde verplaatste toen haar bestuurlijke centrum naar Koningsbergen in wat nu Oost-Pruisen heette. Opmerkelijk en opvallend is het feit dat vele Nederlanders “lid” waren van de Teutoonse orde en dat er zelfs een stadje in Polen was dat toentertijd “Pruisisch Holland” heette. Harnassen, grote bier- en eettafels, fresco’s en een kapel wat nu meer lijkt op een ruïne. Toen de Pruisen het overnamen tijdens de eerste deling van Polen maakte zij van het kasteel barakken en braken delen af die niet voor militair nut meer waren.



torun en lodz


In Marlbork nemen we de trein richting naar de oude hansestad “Torun”. Nadat we onze grote tassen in een kluis in het station hebben gelegd wandelen we richting het UNESCO-centrum wat vooral bekend is om z’n Gotische gebouwen. We bekijken het oude stadhuis in de oude stad, het beeld van de Poolse rattenvanger van Hamelen “Janko Muzykant” met het verschil dat dit kikkers zijn. Tenslotte bewonderen we het huis en het standbeeld van “Copernicus”, de bekende sterrengeleerde die hier heeft gewoond. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat juist deze stad totaal ongeschonden uit de oorlog is gekomen na al de vernieling waarvan we in andere Poolse steden hebben gehoord. Ook Torun viel in handen van de Teutonische ridders en kwam pas na WWI terug in Poolse handen. Na de lunch lopen we terug naar het station en arriveren later in de tweede stad van het land: “Lodz” die we leren uitspreken als “woetsj”.

Het getto van "Lodz": 

Toen Duitse troepen Łódź in september 1939 bezetten, had de stad een bevolking van 672.000 mensen, meer dan een derde van hen Joden. Łódź grensde aan de Warthegau regio van het Rijk en werd omgedoopt in Litzmannstadt ter ere van een Duitse generaal, Karl Litzmann, die in 1914 met Duitse troepen (succesvol) in het gebied opereerde. Als zodanig had de stad een proces van arisering ondergaan: de joodse bevolking zou worden uitgezet naar het Generaal-Gouvernement en de Poolse bevolking zou aanzienlijk worden verlaagd en omgevormd worden tot een slaven-arbeidersvolk.

 

De getto die tijdelijk zou zijn werd in het noordelijke (oude) gedeelte van Lodz gebouwd waar de meeste Joden woonden. Bruggen werden naar de verschillende delen aangebracht waar o.a. trams onderdoor reden. Twee Duitse politie eenheden patrouilleerden rond de getto en een Joodse politiemacht werd geleid door een autocratisch geleidde Joodse Raad. Enig contact tussen de Joden in het getto en mensen daarbuiten werd strikt verboden. Het contact met mensen buiten het getto werd ook aangetast door het feit dat Łódź een 70.000 mensen sterke Duitse minderheid had, die loyaal aan de nazi's waren. In andere getto's in heel Polen ontstond tussen het getto en de buitenwereld een bloeiende ondergrondse economie op basis van de smokkel van voedsel en vervaardigde goederen. In Łódź was dit echter praktisch onmogelijk en de Joden waren volledig afhankelijk van de Duitse autoriteiten voor voedsel, medicijnen en andere vitale benodigdheden. De bijzondere situatie van het getto van Łódź verhinderde uitingen van gewapend verzet die synoniem zijn geworden met de laatste dagen van het getto van Warschau, dat van Wilna en van Białystok, en andere getto's in bezet Polen. Rumkowski’s aanmatigend autocratie, het mislukken van pogingen om voedsel binnen te smokkelen, en daarom ook wapens, en de overtuiging dat de productiviteit zou zorgen voor overleving, sloot elke poging tot gewapende opstand uit. Om de situatie nog verder op scherp te zetten werd als enig wettig betaalmiddel een speciaal gettogeld ingesteld. Nadat op 1 oktober 1940 de deportatie naar het getto was voltooid, werd de stad Judenfrei (vrij van joden) verklaard. Omdat er veel joden uit de stad waren gevlucht, was de bevolking van het getto na zijn oprichting ‘slechts’ 164.000. In de jaren daarna werden Joden uit Centraal-Europa, zelfs zover als uit Luxemburg, naar het getto gedeporteerd; er was ook een kleine Roma-bevolking geherhuisvest (Porajmos).

 

Heinrich Himmler riep al in 1943 op tot de definitieve liquidatie van het getto, waarbij een handvol werknemers moesten verhuizen naar een concentratiekamp buiten Lublin, terwijl de bewapeningsminister Albert Speer pleitte het getto te laten voortbestaan als een bron van goedkope arbeid, dat zeker nodig zou zijn nu het tij van de oorlog zich tegen Duitsland keerde. In de zomer van 1944 werd uiteindelijk besloten tot de geleidelijke liquidatie van de resterende bevolking. Van 23 juni tot 5 juli werden ongeveer 7.000 Joden naar het vernietigingskamp Chełmno gedeporteerd, waar ze werden vermoord. Op 15 juli 1944 werden de transporten gedurende twee weken onderbroken omdat, wegens het oprukken van de Sovjettroepen de Chełmno faciliteit werd ontmanteld en verplaatst. Op het moment dat de Sovjet fronttroepen naderden, werd besloten de resterende Joden, inclusief Rumkowski (leider Joodse Raad), op transport naar Auschwitz te zetten, en het getto te liquideren. Op 28 augustus 1944 werden Rumkowski en zijn familie in Auschwitz vermoord. Sommige joden werden in het getto achtergelaten om op te ruimen, sommigen doken onder. Slechts 877 joden waren over toen het Sovjet-leger op 19 januari 1945 Łódź bevrijdde. Geschat wordt dat 10.000 van de 204.000 Joden en een tiental Roma die het getto doorliepen, overleefden.

De tram brengt ons naar het noorden van de stad vlakbij waar de Joodse getto begon in WWII. Twee hostels die we bekijken zijn helaas vol en we gokken op een camping die we in onze gids hebben zien staan in het zuiden van de stad. We hadden al niet zo’n hoge dunk van wat weleens de lelijkste stad van Polen wordt genoemd en dit alles helpt niet echt. Het begint al te schemeren als we na wederom een lange tramtocht het verlichte sportcomplex zien wat ernaast zou liggen. Opmerkelijk is dat je hier tickets koopt op tijd i.p.v. afstand. We wandelen het hele complex af en vinden uiteindelijk een bord voor een huis staan met receptie erop maar het staat in de steigers en we horen van een zeer beschonken bewaker dat ook de camping opgehouden heeft te bestaan. Op een braakliggend terrein zetten we onze tenten op voor de nacht en hopen op het beste.



tips & advies (2009)


Het bus- en treinstation van Marlbork liggen naast elkaar op zo’n kilometer ten oosten van het centrum (en kasteel) van de stad.

 

Marlbork – Torun: er gaan zo’n 4 a 5 treinen per dag. Prijs is 17 Zloty en de rit duurt zo’n 2,5 uur. Het treinstation van Torun ligt op 2 km ten zuiden van het centrum terwijl het busstation ongeveer 100 meter ten noorden van de historische stad ligt.

 

Torun – Lodz: er gaat zeker een bus per dag naar Lodz. Prijs is 36 Zloty. Lodz heeft drie belangrijke treinstations te weten; Fabryczna, Widzew en Kaliska waarvan Fabryczna het hoofdstation is. Het busstation is daar ook vlakbij gelegen.


In Marlbork kun je naast het kasteel heerlijk op een terrasje zitten aan de rivieroever; je kunt perfect een biertje drinken maar ook eten.


  • Naam : Hotel “Pokoje Goscinne Szarotka” (Marlbork)

Adres : Ul Dworcowa 1a

Prijs : 35 ZL (single room - excl. douche en wc)

Tel.nr. : 055 612 1444

 

Inhoud:

Een heerlijke gezellige kamer helemaal ouderwets aangekleed en voor een prima prijs. De douche en wc zijn dan wel op de gang van dit oude huisje maar dit is een prima spot om een dagje te blijven (om het kasteel te bekijken) en ’s avonds terug te keren – thuis. Daarnaast ligt het naast het treinstation dus je zo kan ’s morgens uitslapen. De vrouw had iets vriendelijker gemogen.


zie ook: