GESCHIEDENIS - Griekenland


de vroegste geschiedenis


Vanaf ca. 8000-7000 v.Chr. werd de landbouw en het domesticeren van dieren vanuit het Midden-Oosten naar Griekenland overgebracht. Tegen het einde van het Neolithicum (jonge steentijd), ongeveer 3000 v.Chr., kwam een nieuw mediterraan volk naar Kreta dat verwantschap vertoonde met de volken van Klein-Azië en Egypte. Deze nieuwkomers zullen zich vermengd hebben met de vroegere eilandbewoners. Zij ontwikkelden zich tot goede zeevaarders en handelslieden maar ook tot een kunstzinnig en vredelievend volk dat een grote liefde had voor de natuur. In hun paleizen tonen zij zich geniale bouwmeesters. De Minoïsche cultuur -genoemd naar de legendarische koning Minos- met een volkomen eigen karakter begint rond 2600 v.Chr. en beleeft zijn hoogste bloei tussen 1600 en 1400 v.Chr. Rond 1900 v.Chr. komt de vorming van het Griekse volk goed op gang als er zich verschillende Indo-Europees sprekende stammen verspreiden over het hele Griekse grondgebied. Deze immigranten brachten het paard en de de oudste fase van de Griekse taal mee en andere cultuurelementen. Omstreeks 1400 v.Chr. luidde een vulkaanexplosie het einde in van de Minoïsche beschaving. De Achaeërs, die zich waarschijnlijk kort voor de natuurramp op Kreta hadden gevestigd, namen de erfenis over het en verbreidden hun cultuur over vele eilanden.


de Trojaanse oorlog en de doriers


Omstreeks 1200 v.Chr. brak de Trojaanse Oorlog uit. De schone Helena, vrouw van de Spartaanse koning Menelaos, was door de Trojaanse prins Paris geschaakt. Die schanddaad moest gewroken worden. De Myceense koning Agamemnon, broer van Menelaos, voerde de Griekse vorsten aan in hun strijd tegen Troje, dat pas in 1184 v.Chr. door de list met het houten paard, in handen van de Grieken viel. Een historisch juistere reden voor het uitbreken van deze oorlog zal hoogstwaarschijnlijk zijn dat de Trojanen de Griekse handel aan de Hellespont bedreigden. Vierhonderd jaar na de feiten heeft Homeros deze oorlog vereeuwigd in zijn Ilias. Omstreeks 1100 v.Chr. drongen de Doriërs vanuit het noordwesten van Griekenland onweerstaanbaar op naar het zuiden. De invallers zagen in de Achaeërs géén stamverwanten; ze veroverden hun steden en brachten de Kreto-Mykeense cultuur de genadeslag toe. Vele bewoners vluchtten naar de eilanden en de bergen; de Doriërs drongen door tot op de Peloponnesos, waar Sparta het centrum werd van hun soldatenstaat. Daar de Doriërs het brons kenden, bood het handwerk meer mogelijkheden, vooral voor het vervaardigen van wapens.


de stadstaten en de kolonisatie


In de eeuwen erna veranderde veel; het koningschap verdween, behalve in Sparta. Steeds belangrijker werden de handel (opkomst muntgeld) en ook een vorm van industrie stak de kop op. Er werd gekoloniseerd -wegens gebrek aan landbouwgrond, het uitbreken van politieke woelingen en later om handelsdoeleinden- op de eilanden, de kust van Klein-Azië en later op de westelijke kusten van de Middellandse Zee. De opkomst van Perzië, Carthago en Etrurië maakte een eind aan deze bewegingen. Ook ontstonden stadstaatjes – zo’n 200 stuks. Het groot aantal stadstaatjes is te verklaren uit de geografische verdeeldheid van het land, dat door bergruggen en zee-inhammen in kleine, natuurlijke landschappen was opgesplitst. De grootste en belangrijkste stadstaten ten tijde van de gouden eeuw (5e eeuw v.C.)waren Athene en Sparta; ze streden om de leiding in de Griekse statenwereld. De twisten tussen de stadstaten werden gestaakt tijdens de Panhelleense Spelen, nu bekend als de Olympische Spelen, die om de vier jaar te Olympia werden gehouden als een grote cultuur- en sportdemonstratie met een religieus karakter. Clisthenes stichtte op het einde van de 5e eeuw v.Chr. in Athene de democratie. In korte tijd heeft Athene onder Perikles een prestatie geleverd die haar weerga in de historie niet vindt. De ontwikkeling van de menselijke zelfreflectie uitte zich op velerlei terrein, vooral in de lyriek, wijsbegeerte, bouw- en beeldhouwkunst. De allergrootste wijsgeren van Athene waren: Socrates, de grondlegger van een seculiere moraalfilosofie, Plato, die het menselijk denken vormgaf met zijn ideeënleer, en zijn leerling Aristoteles, de vader van de logica en een aanzet tot natuurwetenschap.


de Perzische oorlogen


De Perzen hadden inmiddels de Griekse koloniën in Ionië op de westkust van Klein-Azië veroverd. In het jaar 500 v.Chr. kwamen de koloniën in opstand en kregen steun van Athene en van de stad Eretria. Koning Darius I van Perzië onderdrukte de Ionische opstand en wilde Europees Griekenland veroveren. In 490 v.Chr. volgde een aanval over zee. Eretria werd uit wraak voor de Griekse steun aan de Ionische opstand verwoest en daarna landden de Perzen bij de vlakte van Marathon op de oostkust van Attika. Daar werden ze door de Athener Miltiades teruggeslagen in de bekend gebleven Slag bij Marathon op 42 km afstand van Athene. Na om het schiereiland Attika heen te zijn gevaren, zagen zij dat Athene nog te sterk verdedigd was en keerden zonder resultaat naar huis terug.  

 

Xerxes, Darius' zoon en opvolger, stuurde in 480 v.Chr. opnieuw een leger en een vloot naar Griekenland. Na raadpleging van het orakel van Delphi werd een grote vloot gebouwd. In de bergpas van Thermopylae ten noorden van Athene hield de Spartaanse koning Leonidas de Perzen enkele dagen tegen met een veel kleiner leger van diverse Griekse bondgenoten in de slag bij Thermopylae, maar toen een verrader de Perzen de weg wees om de bergpas heen, konden zij de 300 overgebleven Spartanen van achteren aanvallen en verslaan. De Perzen konden toen eindelijk opmarcheren naar Athene, dat in brand werd gestoken, maar de mannen hadden de vloot bemand en de vrouwen en kinderen waren overgevaren naar de eilanden Aigina en Salamis. In de baai van Salamis leed de Perzische vloot een nederlaag in de Slag bij Salamis. In 479 v.Chr. werd het Perzische landleger bij Plataeae te land verslagen door de Spartaanse koning Pausanias. In datzelfde jaar werden de restanten van de Perzische vloot vernietigd in de slag bij Mycale aan de Ionische kust en ook het Perzische landleger werd nog eens verslagen. Daarmee waren ook de Ionische steden en eilanden van de Perzen bevrijd. Zowel Athene als Sparta eisten de overwinning op, waardoor de rivaliteit tussen de beide steden weer gevaarlijke vormen aannam.


sparta, athene en Alexander de grote


In 431 v.Chr. mondde die spanning ten slotte uit in een oorlog die de hele Griekse wereld verdeelde. Een oorlog tussen de aristocratische landmacht Sparta en de democratische zeemogendheid Athene. De Atheense nieuwe vloot werd in 405 v.Chr. door de Spartaan Lysandros bij de Hellespont verslagen. Athene moest zich overgeven, de Zeebond werd ontbonden, de vestingwerken en de Lange Muren moesten afgebroken worden. Athene was gekortwiekt; Sparta had de leiding genomen. In de tweede helft van de oorlog die van 413 tot 404 v.Chr. duurde won Sparta met behulp van de Perzen de strijd. Athene en Sparta waren echter zo verzwakt door de oorlog dat Thebe in het machtsvacuüm sprong en in 371 v.Chr. zelfs het onoverwinnelijk geachte Sparta op eigen bodem versloeg. De heerschappij duurde maar kort want het Macedonische Rijk was zich in deze tijd aan het uitbreiden. 

 

De Grieken werden echter afgetroefd door Philippus II van Macedonië. Onder zijn hegemonie werd een coalitie van Griekse stadstaten waaronder Athene, verslagen in de slag bij Chaerona in 338 v.Chr. Na de moord op Philippus trad zijn zoon Alexander de Grote in de voetsporen van zijn vader en veroverde het Perzische rijk. Alexander, die de Griekse én oosterse cultuur bewonderde, streefde naar een samenwerking der volken. Daartoe stichtte hij steden met een gemengde, multiculturele bevolking; de taal in de hogere kringen was het Grieks. Zo leidde hij een nieuw cultuurtijdperk, dat van “het Hellenisme” in. Het uitgestrekte wereldrijk was na de dood van Alexander uiteengevallen in drie grote rijken; Griekenland zelf behoorde aan Macedonië met Pella als hoofdstad; de pogingen zich vrij te maken mislukten door onderlinge verdeeldheid.



de romeinen


In een oorlog tegen Macedonië riepen Pergamon (Turkije), Athene en Rhodos, de heerschappij van Macedonië beu, de hulp in van de Romeinen. Vanaf 215 v.Chr. startten de Romeinen militaire acties die in 196 v.Chr. met de beëindiging van de Macedonische heerschappij over Griekenland werden afgerond. Zeer opmerkelijk was dat de bovenlaag van de Romeinse maatschappij vrij snel gehelleniseerd werd en veel Griekse ideeën en filosofieën overnam. Tijdens de Romeinse burgeroorlogen werden er in Griekenland beslissende slagen geleverd. In 48 v.Chr. versloeg Julius Caesar zijn tegenstander Pompeius bij Pharsalus in Thessalië. In 42 v.Chr. behaalden Marcus Antonius en Octavianus een overwinning op Brutus en Cassius, de moordenaars van Julius Caesar, bij Filippi in Macedonië. In 31 versloeg Octavianus de vloot van Antonius en Cleopatra bij Actium. Het volledig herbouwde Korinthe was een belangrijke Romeinse kolonie. In het midden van de eerste eeuw n.Chr. predikte de apostel Paulus onder andere in Korinthe, Thessaloníki, Fílippi en Athene. Spoedig verbreidde er zich het christendom. 

 

Toen het Romeinse Rijk verzwakte, kreeg ook Griekenland last van invallen van vreemde volken. In 267 bijvoorbeeld plunderden Goten en Herulen Attika en veroverden Athene. De Romeinse keizer Constantijn de Grote verplaatste in 330 zijn residentie van Rome naar Byzantium (sindsdien “Constantinopel” geheten), waardoor het zwaartepunt van het rijk in het oosten kwam te liggen. In 395 werd het rijk verdeeld in een West- en een Oost-Romeins Rijk; tot dit laatste - ook Byzantijnse Rijk geheten - behoorde Griekenland.


De Byzantijnse periode (395 – 1456)


Als deel van het Byzantijnse Rijk had Griekenland veel last van vijandelijke invallen: in de 5e eeuw van Vandalen en Oostgoten, in de 6e van Slaven, Avaren en Hunnen, in de 8e wéér van Slaven, in de 9e van Saracenen, in de 10e van Bulgaren en in de 11e van Noormannen uit Sicilië. De eilanden werden vaak door zeerovers geplunderd. Het gevolg van deze invasies was dat er zich een grote Slavischsprekende bevolking op Griekse bodem vestigde. Op het einde van de Vierde Kruistocht (1202-1204) plunderden de westerse kruisvaarders Constantinopel en stichtten er het Latijnse keizerrijk (1204-1261). Vele ridders uit het westen en edellieden uit de handelsrepubliek Venetië richtten er feodale staatjes op, ook in Griekenland, en bouwden er sterke burchten. Al deze ridders uit het westen -velen kwamen uit Frankrijk- duidde men aan met de minachtende benaming "Franken".


de komst van de ottomanen


In 1453 viel Constantinopel in handen van de Turken; de Balkanlanden lagen toen open voor hun veroveringszucht. In 1456 veroverden ze Athene en een groot deel van het Griekse vasteland. Een aantal eilanden kwam later aan de beurt, Rodos pas in 1523, Kreta in 1669. Venetië heeft héél lang stand gehouden, op Korfoe zelfs tot 1797. De sultan verdeelde Griekenland in een zevental militaire districten en stuurde er Turkse boeren heen om zodoende een reserveleger bij de hand te hebben. Sommige dorpen waren eigendom van Turkse grootgrondbezitters; er waren geheel Turkse en geheel Griekse dorpen. Ook al bestond er sinds 1453 geen Grieks(talig)e staat meer, de Grieken vormden binnen het Osmaanse rijk allerminst een minderheid. Handel en zeevaart waren bijna uitsluitend Griekse professies. Gedurende de Turkse overheersing verslechterde de economische ontwikkeling van Griekenland. De Christelijke bevolking diende net zoals alle andere niet-moslims in het Ottomaanse Rijk een belasting te betalen. 

 

Steeds was er strijd tussen Venetië en de Turken. Een Spaans-Venetiaanse vloot onder leiding van Juan van Oostenrijk (natuurlijke zoon van keizer Karel V) bracht de Turken in 1571 bij Lepanto aan de Golf van Korinthe een verpletterende nederlaag toe. Vele moegetergde boeren vluchtten de bergen in als hun dorp geplunderd werd of een Turks garnizoen moest herbergen. In onherbergzame gebieden hielden deze guerrilla’s stand als ondergrondse strijders. Met de verzwakking van het Osmaanse Rijk kon er een nationale beweging ontstaan, die bovendien geholpen werd door de grote mogendheden die zich tegen de Turken afzetten als een constante bedreiging. Het streven van de Grieken om los te komen werd door de grote mogendheden in 1815 besproken op het Congres van Wenen, maar Engeland voelde er niet veel voor, omdat het de veroverde Ionische eilanden voor zichzelf wilde behouden.


de Griekse vrijheidsoorlog


De drang naar onafhankelijkheid en de propaganda van de geheime genootschappen hadden succes: in 1821 brak de opstand tegen de Turken uit. Maar al spoedig begon de tegenslag en wel door de komst van Ibrahim Pasja, de veldheer van Mehmed Ali van Egypte, die de sultan te hulp snelde. Ook begonnen de Grieken onderling te vechten. Met bloeddorstige wreedheid onderwierp de sultan  verscheidene eilanden: op Chios werden 23.000 mensen vermoord. Hij veroverde de Peloponnesos en drong door tot Midden-Griekenland. In 1826 vielen Athene en de sterke vesting Messolongion (nu Messolongi) hem in handen. De Griekse opstand was in bloed gesmoord, het land verwoest. De Grieken slachtten op hun beurt ook volledige Turkse dorpen af. Ondertussen had echter de publieke opinie in Europa partij gekozen voor de Grieken; de genootschappen van filhellenen stuurden geld, wapens en vrijwilligers. Ze verafschuwden de Turkse moordpartijen op de Grieken, die ze als afstammelingen van de helden van Marathon en Thermopylae beschouwden. In 1827 keerden de kansen: Rusland, Frankrijk en Engeland grepen in. Hun vloot bracht de Turks-Egyptische de nederlaag toe in de Zeeslag bij Navarino, op de westkust van de Pelopónnesos ten noorden van Pylos. Een groot Russisch leger joeg de Turken voor zích uit tot de poorten van Constantinopel. Zij  werden verdreven uit de Pelopónnesos en Midden-Griekenland. Dit bevrijde gebied werd een republiek met Ioannis Kapodístrias als president.


onafhankelijkheid en otto I


Na moeizame onderhandelingen werd Griekenland in 1830 door het Congres van Londen onafhankelijk verklaard. Nauplion werd de hoofdstad, tot men in 1834 daarvoor Athene koos. In 1831 werd Kapodistrias doodgeschoten. De Engelsen wilden toen een Europese prins op de troon en in 1832 aanvaardde koning Lodewijk I van Beieren (zoon van Ludwig I) de Griekse kroon voor zijn zoon Otto, die in 1833 voor het eerst de Griekse bodem betrad. De jonge, on-talentvolle en toegevende was sterk voorstander van een centraal gezag en kwam daarmee in conflict met de aristocratie en de geestelijken die onder de Turken in de regio veel macht bezaten en dat nu dreigden kwijt te raken. Ondertussen morde ook het volk; de belangrijkste delen van het land (het noorden en de Ionische eilanden) werden nog steeds door Turkije of Engeland bestuurd en er was armoede door o.a. een zeer hoge schuldenlast. De ontevredenheid groeide en in 1837 moest de koning zijn Beierse ministers door Griekse vervangen. Tijdens de Krimoorlog leed Griekenland een echec; toen het opstanden in het nog Turkse Epirus en Thessalië wilde steunen, bezette een Engels-Frans vlooteskader Athenes haven, Piraeus (1854–1857). In oktober 1862 werd de kinderloze koning Otto door een opstand tot aftreden gedwongen. Otto en zijn koningin Amalia verlieten het land, waarna een rumoerige tijd volgde.


Koning george I en de balkan-oorlogen


De volksvertegenwoordiging bood onder invloed van de Engelsen de troon aan, aan de 18jarige Deense prins Willem van Denemarken, die koning werd onder de naam George I. De slanke en energieke koning trouwde enkele jaren later met Olga van Rusland. De koning leefde sober, werkte hard en reisde vier jaar door het land om de moeilijkheden van zijn volk te leren kennen. Ondanks de democratische grondwet van 1864 - algemeen mannenkiesrecht, vrijheid van pers en godsdienst - bleef Griekenland van een stabiele democratie verstoken. Dé strijdvraag van ministerie en parlement bleef: de nog onder Turks bewind staande Griekse gebieden met geweld bevrijden of de Turken te vriend houden om aan het economische herstel van eigen land te kunnen werken. Als huwelijksgeschenk voor de nieuwe koning had Engeland in 1864 de Ionische eilanden afgestaan. Twee jaar later volgde Kreta nadat daar een opstand tegen de Turken was gestart gesteund door de Grieken. In 1877 werd het vruchtbare Thessalië bij Griekenland gevoegd.  

 

Voor velen zou het jaar 1896 toen de moderne Olympische Spelen in Athene werden gehouden gemarkeerd worden als het begin van een nieuw Griekenland. Het Ottomaanse Rijk was aan het einde van de 19e eeuw in elkaar gezakt maar hield Macedonië nog steeds bezet. Griekenland zou al in 1896 een verschrikkelijke nederlaag leiden tegen het toch nog sterke Ottomaanse leger. Griekenland zou tezamen met Balkanlanden tijdens de eerste Balkanoorlog nog een poging wagen en de Turken aanvallen. De tweede Balkanoorlog (Griekenland en Servië tegen Bulgarije) zou voor eerstgenoemde veel extra land opleveren; o.a. het zuidelijke gedeelte van Macedonië en delen van Thracië. Na de Balkanoorlogen in 1913 zou ook Kreta en een aantal Egeïsche eilanden aan Griekenland toebehoren. In datzelfde jaar werd de populaire koning George I, toen hij door de straten van de pas verworven stad Thessaloníki wandelde, door een geesteszieke doodgeschoten. Zijn oudste zoon Konstantijn volgde hem op.


Koning Konstantijn I (1913-1917 en 1920-1922)


Toen in 1914 WW1 uitbrak, wilde de liberale politicus Eleftherios Venizelos (va 1910 premier) - zich, ter vergroting van grondgebied, aansluiten bij de geallieerden, maar Konstantijn, gehuwd met een zuster van keizer Wilhelm II van Duitsland, was pro-Duits. Dat gaf aanleiding tot vele strubbelingen en tot het ontslag en de verbanning van Venízelos. Onder druk van de geallieerden, die Athene bombardeerden, moest koning Konstantijn in 1917 troonsafstand doen, en met kroonprins George verliet hij het land om erger te voorkomen. Het Griekse volk deed zijn koning met bloemen uitgeleide. Franse troepen rukten Athene binnen, Venízelos keerde naar zijn land terug en verklaarde Duitsland de oorlog. Intussen was Konstantijns tweede zoon als Alexander I (1917-1920) koning geworden. Het volk beschouwde echter de verdreven koning Konstantijn als een martelaar en noemde Alexander - in zijn koninklijk paleis een gevangene van Venízelos en de geallieerden - geen koning maar “prins” (regent). Griekenland nam in de herfst van 1918 deel aan het offensief dat leidde tot de capitulatie van Bulgarije in 1918. 

 

Na de oorlog kreeg Griekenland uitbreiding in Thracië ten koste van Turkije en Bulgarije; het verkreeg bovendien Smyrna (het huidige İzmir) en omgeving op de Turkse kust in Klein-Azië. In 1920 stierf koning Alexander I aan bloedvergiftiging. Een volksstemming riep vervolgens zijn vader Konstantijn terug: hij werd met laaiende geestdrift ontvangen en premier Venízelos moest het land opnieuw verlaten. In 1922 speelde zich de hoogst ongelukkige oorlog tegen Turkije af, waartegen koning Konstantijn zich steeds had verzet. De Grieken waren vol van hun eeuwenoude droom: herstel van het Byzantijnse Rijk. Kemál Pasja Atatürk, de sterke man van Turkije, had de afstand van Smyrna en omgeving nooit erkend. De oorlog werd voor Griekenland rampzalig, het leed verpletterende nederlagen, de Turken staken Smyrna in brand en de Griekse bevolking vluchtte bij honderdduizenden, het Griekse leger sloeg aan het muiten. Ook werden er duizenden Griekse en Armeense inwoners gedood tijdens de Grote brand van Smyrna. De slechte afloop van de oorlog leidde tot een militaire opstand onder leiding van de Venízelos-gezinde generaal Plastiras. Konstantijn kreeg de schuld en hij trad af om een burgeroorlog te voorkomen. Zijn oudste zoon volgde hem op als George II (1922-1923). In 1923 stierf Konstantijn I in ballingschap te Palermo aan een hersenbloeding.


Koning George II (1922-1923, 1935-1941)


In 1923 schafte het parlement de monarchie af en riep de republiek uit. Na één jaar koning geweest te zijn, vertrok George II naar Londen. In hetzelfde jaar besloten Turkije en Griekenland tot een grote bevolkingsuitwisseling. Door de bevolkingsuitwisseling - Grieks-Orthodoxen uit Turkije, Moslims uit Griekenland - stond het arme en verdeelde Griekenland voor de taak bijna anderhalf miljoen uit Turkije en andere gebieden gevluchte landgenoten onderdak, voedsel en werk te verschaffen. Ook werd besloten dat Griekenland moest berusten in de annexatie van de Dodekánesos door Italië. Dit gedeelte van het huidige Griekenland was al in 1912 door Italië op de Turken veroverd. Verder moesten de Grieken Adrianopel en Smyrna aan Turkije teruggeven. Grote onlust heerste er in het land: militaire opstanden, voortdurende wisselingen van ministeries, staatsgrepen, onlusten en dictatuur. In 1928 werd Venízelos weer teruggehaald, nadat zijn partij bij de verkiezingen de meerderheid had behaald. Hij bracht enige verbetering in de economische en financiële toestand en sloot vriendschap met Turkije. Maar in 1932 werd hij door de royalisten ten val gebracht en eens te meer verbannen. 

 

In 1935 besloot een volksstemming over het herstel van de monarchie en George II besteeg opnieuw de troon. De ernstige, eenvoudige en spaarzame vorst leefde als een eenzame in zijn kaal geplunderde paleis. De koning bestreed de corruptie in het leger en in de politiek, kondigde amnestie af, ook voor Venízelos. Groot was de verdeeldheid in de politieke partijen. Door een staatsgreep werd Metáxas dictator; hij voerde de censuur in en interneerde vele tegenstanders. Metaxas was misschien niet als een echte fascist te bestempelen, maar had wel bewondering voor Duitsland, Italië en het Spanje van Franco. Het zal daarom als een schok zijn aangekomen toen de Italiaanse ambassadeur midden in een oktobernacht in 1940 een ultimatum overhandigde dat een diepgaande inbreuk op de Griekse soevereiniteit eiste.


ww2


Op 28 oktober 1940 vielen de Italianen het land binnen. Zij hadden op een makkelijke overwinning gehoopt maar werden verslagen. De Grieken dreigden zelfs Albanië te bezetten. Zeer precair werd de situatie voor de As toen de Engelsen hun steun toezegden. Dictator Ioannis Metaxas overleed op 29 januari 1941. Zijn opvolgers bleken niet bij machte om een krachtige regering te vormen. Griekenland bood dapper tegenstand, die echter niet meer mocht baten toen op 6 april 1941 ook de Duitsers en Bulgaren het land binnenrukten. De koning verliet het land met zijn regering en Griekenland werd verdeeld onder Bulgarije, Italië en Duitsland. De Duitsers installeerden een collaborerende regering o.l.v. generaal “Tsolakoglu”. Er ontstond een grote partizanenbeweging met 1,8 miljoen deelnemers op een bevolking van bijna 9 miljoen mensen. Tot 1944 toe werden er in de bergen van het bezette land felle gevechten geleverd, waarbij al spoedig de nationaalcommunisten de leiding namen. In oktober 1944 gaven de Duitsers Athene over aan de Engelsen; de uitgeweken regering keerde naar Griekenland terug maar had weinig te vertellen. Zij eisten ook ontbinding van alle guerrilla troepen. De oorlog kostte 500.000 Grieken het leven, mede door de hongersnood van 1941-1942, toen zeker 300.000 Grieken stierven.



de burgeroorlog


Na de oorlog trachten de communisten de macht te verkrijgen maar Engeland en de VS boden hulp om dit te verhinderen. Er heerste echter geen rust in het land, vooral niet in de noordelijke bergstreken die door de communisten werden beheerst. Ze kregen veel aanhang wegens de slechte economische, sociale en politieke situatie. De Britten besloten tot een regering van “Nationale eenheid” met “Papandreou” als minister president. In 1946 had Italië de Dodekanesos aan Griekenland afgestaan. Papandreou trad af waarop een volksstemming in dat jaar riep koning George II weer op de troon, maar een jaar later stierf de kinderloze koning aan een hartaanval. Hij werd opgevolgd door zijn broer Paul (Pávlos) I, die in 1938 gehuwd was met de vijftien jaar jongere Frederika van Brunswijk. In 1947 woedde de burgeroorlog op zijn hevigst; de regeringsgetrouwe troepen werden aangevoerd door generaal Papagos; de goedbewapende communistische ELAS, geleid door de Stalinistische "generaal Markos", hield strooptochten door het land en ontvoerde 26.000 Griekse kinderen naar communistische buurlanden. Een jaar later verliep de strijd door het ingrijpen van een Engels leger, onenigheid onder de communisten, leveranties van Amerikaanse wapens aan de regeringstroepen en door gebrek aan wapens bij de communisten (Joegoslavië hield immers op te leveren na de breuk van Tito met Moskou). In 1949 keerde de rust weer dankzij het werk en het prestige van Papagos met zijn "Griekse volksbeweging".



Koning Paul I (1947-1964) en Constantijn (1964-1967)


Na de burgeroorlog had het land te kampen met grote problemen: veel huizen verwoest, het vee weggevoerd, een verbitterde mentaliteit. Het koningspaar spande zich in om de door de burgeroorlog ontstane menselijke wonden te helen. De regering financierde de terugkeer van de verdreven en gevluchte boeren naar de bergdorpen, verbood de communistische partij en interneerde vele communisten. In 1952 trad Griekenland toe tot de NAVO en onder Papagos van de nieuwe partij "Griekse Concentratie" volgde een stabielere tijd en verbeterde de relatie met de buurlanden. In 1954 werd er zelfs een bondgenootschap gesloten tussen Griekenland, Joegoslavië en Turkije. Dit bondgenootschap had echter weinig kans van slagen, o.a. door de kwestie Cyprus waardoor de betrekkingen tussen Griekenland en Turkije explosief werden. De Cypriotische beweging die aansluiting bij Griekenland nastreefde (enosis), leidde in 1954 tot relletjes in Griekenland zelf en de kwestie werd door Papagos aan de V.N. voorgelegd. In 1955 begon het conflict op het eiland onder leiding van Grivas te escaleren waardoor de betrekkingen tussen Griekenland en Turkije op een dieptepunt kwamen. In 1955 stierf Papagos en hij werd opgevolgd door Karamanlis, de leider van de nieuwe partij Nationale Radicale Zunie (ERE). Karamanlis probeerde het Cypriotische conflict via onderhandelingen op te lossen en bleef trouw aan de NAVO. In 1960 werd de Republiek Cyprus gesticht.  In 1956 kregen de vrouwen kiesrecht. Het land genoot bij zijn wederopbouw grote financiële steun van de V.S. 

 

In 1963 trad Karamanlis af toen de koning een regeringsadvies om een staatsbezoek aan Engeland uit te stellen niet opvolgde. Ook de voortdurende inmenging van de kroon in de politiek was hem al langer een doorn in het oog. In twee opeenvolgende algemene verkiezingen won de partij van de hervormingsgezinde Papandreou veel zetels in het parlement. In mei 1965 werd er een geheime organisatie ontdekt van linkse legerofficieren, en waaraan de zoon van Papandreou steun zou hebben gegeven. Papandreou zelf wilde het leger zuiveren van "anti-democratische en fascistische figuren", in feite tegenstanders van hem. Koning Constantijn II, de opvolger van de in 1964 overleden Paul I, weigerde dan ook om ontslag te verlenen aan de minister van defensie, die een tegenstander was van Papandreou in het kabinet. In juli 1965 trad de regering-Papandreou af en vonden er heftige pro-Papandreou demonstraties plaats in heel Griekenland. Na de verkiezingen probeerde de koning kabinetten van anti-Papandreou mensen te vormen. De parlementair-constitutionele crisis bleef zo voortduren en op 21 april 1967 pleegde een groep ultrarechtse officieren een staatsgreep, de zogenaamde "kolonels".


de kolonel-staatsgreep en de republiek


De “kolonel” staatsgreep vond plaats onder het mom "dat het land gevaar liep voor het communisme". De "sterke mannen" waren Papadópoulos en Patakós die een zeer autoritair bewind voeren. Onafhankelijke vakbonden werden verboden en kranten werden zwaar gecensureerd. Wie verdacht werd van communistische sympathieën, werd gearresteerd. In december 1967 kwam koning Konstantijn II in verzet tegen de militaire junta, maar hij rekende vergeefs op steun van het volk en moest zich in ballingschap begeven naar Italië. In 1972 werd deze door diezelfde junta teruggevraagd maar nu weigerde de oude koning. In 1973 verving de Griekse regering de monarchie door een republiek, met Papadopoulos als president. Na verzet volgde in november 1973 een bloedeloze militaire staatsgreep. Papadopoulos werd door zijn medestanders van 1967 ten val gebracht: (sindsdien zat hij een levenslange straf uit in de zwaarbewaakte gevangenis van Korýdallos, bij Athene, tot aan zijn dood op 27 juni 1999). In 1974 kwam de als balling in Frankrijk levende Karamanlís aan de macht, met zijn partij de Nea Dimokratia ("Nieuwe Democratie").

 

De onderhandelingen met de Turken over Cyprus mislukten en in augustus 1974 veroverden de Turken bijna 40% van het eiland. Griekenland trad vervolgens uit de NAVO als protest tegen het feit dat deze organisatie de Turkse invasie van Cyprus ongestraft liet. Op 17 november werden er voor het eerst in jaren weer vrije verkiezingen gehouden. Karamanlís' won de verkiezingen terwijl bij een referendum het koningschap van Konstantijn II niet hersteld. Een halfjaar later, in juni 1975, koos het Griekse parlement Konstantínos Tsátsos tot president. In de loop van 1976 namen de spanningen tussen Griekenland en Turkije weer toe en werd ook de status van Egeïsche Zee een meningsverschil. Ook de terugkeer van Griekenland in de bevelsstructuur van de Navo ging met veel problemen gepaard omdat ook Turkije lid was van het bondgenootschap. Pas in maart 1978 trad er enige verbetering op in de betrekkingen met Turkije. In 1980 werd Karamanlís tot president gekozen; Griekenland keerde terug in de NAVO en op 1 januari 1981 werd het lid van de Europese Unie.


griekenland in de eu


Bij de verkiezingen in 1981 behaalde de Socialistische partij (PASOK) de absolute meerderheid. Andreas Papandreou, werd minister-president. Hoewel hij aanvankelijk het lidmaatschap van de N.A.V.O. discutabel stelde, werd er in 1983 een nieuw verdrag gesloten, dat o.a. betrekking had op de Amerikaanse bases in het land. Papandreou voerde vele vernieuwingen en sociale hervormingen in. De verhouding met buurland en N.A.V.O.-partner Turkije bleef gespannen, vooral na de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van het Turkse deel van Cyprus in november 1983. Papandréou, die van de Europese Unie royale subsidies voor zijn boeren wist af te persen, raakte echter steeds meer betrokken in allerlei financiële en emotionele schandalen. Aan zijn politieke carrière leek zelfs in 1989 een einde te zijn gekomen toen hij na twee ambtsperioden verpletterend verslagen werd door zijn tegenstanders van de (liberale) Néa Dimokratía. De nieuwe premier Konstantinos Mitsotákis zag zich verplicht met onpopulaire maatregelen het economische puin in het land te ruimen. Regelmatig lag Griekenland met zijn E.U.-partners overhoop, o.a. door zijn houding tegenover de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Als orthodox-christelijk land koos Griekenland voor de kant van Servië, en weigert het de onafhankelijkheid van de vroegere deelrepubliek Macedonië onder die naam te erkennen, uit vrees voor Macedonische aanspraken op gebieden in Noord-Griekenland. In 1993 mocht ex-koning Constantijn Griekenland weer als "burger" bezoeken. Ook in dat jaar verloor Mitsotakis zijn parlementaire meerderheid en er volgden vervroegde parlementsverkiezingen. Hierin  stevende Papandréou opnieuw naar de absolute meerderheid en hij kwam na  vier jaar oppositie weer aan de macht.  

 

In 1994 werd het conflict met Macedonië opgelost. Hoe dan ook heeft Griekenland als meest oostelijk gelegen E.U.-land zwaar te kampen met illegale immigratie, niet alleen vanuit Albanië en het voormalige oostblok, maar - via buurland Turkije - ook vanuit de moslimwereld. Eind 1995 kreeg de zwaar zieke premier Papandreou zodanige gezondheidsproblemen dat hij in januari 1996 moest aftreden en enkele maanden later overleed. De kersverse premier Costas Simitis kreeg het reeds na enkele dagen aan de stok met grote buur Turkije (dat geleid wordt door de Islamitische partij “Refah”) toen een grensgeschil om het onooglijke rotseilandje Imiá bijna ontaardde. Door toedoen van de Amerikaanse president Clinton kon een heuse oorlog vermeden worden. In februari 1999 arresteerden Turkse commando’s de Koerdische PKK-leider Öcalan, nadat hij de Griekse ambassade in Kenia, waar hij zijn toevlucht had gezocht, had verlaten. Ernstige fouten van Griekse zijde hadden de arrestatie mogelijk gemaakt en brachten de Griekse regering in een lastig parket, temeer daar de Griekse bevolking – die sympathiseert met de Koerdische onafhankelijkheidsstrijd – het voorval interpreteerde als een vernedering door aartsvijand Turkije. De betrekkingen met Turkije verbeterden echter aanzienlijk nadat dit land op 17 augustus door een zware aardbeving werd getroffen. Griekenland kwam Turkije onmiddellijk rechtstreeks te hulp en steunde een EU-voorstel voor een grootschalig hulpprogramma. Minister van Buitenlandse Zaken Papandreou gaf de nieuwe koers vorm en startte een voorzichtige politiek van bilaterale samenwerking. Deze bereikte begin oktober 1999 een hoogtepunt tijdens een bezoek aan Turkije, toen Papandreou aankondigde dat Griekenland niet langer het Turkse lidmaatschap van de EU in de weg zou staan.


jaren 2000


In 2000 werden met Turkije vijf samenwerkingsverdragen getekend op het gebied van economie, wetenschap, cultuur, maritieme handel en de douane. Op 8 februari werd President Stephanopoulos met een overweldigende meerderheid in het parlement herkozen voor een tweede ambtstermijn. De verkiezingsoverwinning van PASOK in april 2000 stelde premier Simitis in staat zijn succesvolle economische bezuinigingspolitiek voort te zetten. Het Europees parlement nam op 18 mei met grote meerderheid een resolutie aan waarin werd gepleit voor Griekse toetreding tot de eurozone per 1 januari 2001. Bij de parlementsverkiezingen van maart 2004 werd de Nea Dimokratia opnieuw de grootste partij van Griekenland, en kwam er een einde aan meer dan 10 jaar regering Simitis. Op 8 februari 2005 werd in het Griekse parlement met overweldigende meerderheid Károlos Papúlias tot president gekozen. Griekenland heeft helaas nog steeds te maken met geweld, dat wordt gepleegd door extreemlinkse (anarchistische) groeperingen. Eind 2005 werden o.a. aanslagen gepleegd op de Ministeries van Ontwikkeling en Financiën. Anarchisten veroorzaken in Athene vaak onrust, door banken en andere gebouwen in brand te steken met gasflesjes. 

 

Op 17 augustus 2007 bood Karamanlis het vroegtijdige ontslag van zijn regering aan bij President Papoulias. Hij schreef nieuwe verkiezingen uit voor 16 september 2007, waarbij zijn partij Nea Dimokratia nipt de absolute meerderheid wist te behouden. Karamanlis bleef hierdoor minister-president. In 2009 wist PASOK opnieuw te verkiezingen te winnen en werd Giorgos Papandreou jr., zoon van Andreas Papandreou, benoemd als premier. Kort na het aantreden van de nieuwe regering maakte deze bekend dat Griekenland te kampen had met een nog hogere staatsschuld dan werd aangenomen. Systematisch heeft het vervalste statistieken aangeleverd waardoor het land eerst ten onrechte de euro kreeg en vervolgens de euroregels ontdook. Premier Papandreou kondigde zware bezuinigingsmaatregelen aan. Door de hoge staatsschuld moet Griekenland ook nog eens een veel hogere rente betalen over haar schuld. De pensioenleeftijd wordt fors verhoogd wat leidt tot rellen leidt in het hele land.


griekenland als zorgenkindje


In februari 2010 beloven de Europese regeringsleiders dat ze Griekenland gaan helpen bij het oplossen van de schuldencrisis, maar wel tegen harde voorwaarden. In april en mei komt er een gigantisch bedrag ter beschikking. Griekenland moet in ruil hiervoor nog harder bezuinigen. In 2013 bereiken de werkgelegenheidscijfers nieuwe negatieve records. Meer dan 60% van de Griekse jongeren zit zonder werk. In december 2013 wordt de begroting voor 2014 goedgekeurd en komt Europa wederom met 1 miljard euro aan leningen over de toonbank omdat Griekenland ook hervormingen heeft doorgevoerd. In September van dat jaar neemt de vluchtelingenstroom uit Turkije naar Griekenland dramatische vormen aan. In het eerste deel van dit jaar waagden ruim 20.000 mensen (vooral uit Syrie en Afghanistan) de oversteek op de Egeïsche Zee. Geregeld komen mensen bij de oversteek om het leven. In Januari 2015 worden de Griekse verkiezingen gewonnen door de links-radicale partij Syriza o.l.v. Alexander Tsipras; premier Antonis Samaras heeft zijn verlies erkend. De neofascistische partij Gouden Dageraad komt op de derde plek met 6,3 procent, gevolgd door de nieuwe liberale en pro-Europese middenpartij To Potami (De Rivier) met 5,9 procent.  

 

In het begin van 2015 staat Griekenland op het punt om (tijdig) door het overgrote deel van Europa buiten de Unie te worden gezet. In de zomer wordt er toch uiteindelijk een akkoord bereikt over opnieuw een noodpakket waar miljarden voor nodig zijn. Ook in 2015 komen weer tienduizenden vluchtelingen vanuit Turkije met bootjes naar Griekenland om asiel aan te vragen in Europa. Nu grenzen worden gesloten in de Balkanlanden blijven steeds meer vluchtelingen steken in de grensstrook aldaar. In November 2016 wordt de nieuwe Griekse regering o.l.v. de linkse premier Tsirpras beëdigd.


lees ook: