GESCHIEDENIS - Spanje



het antieke spanje


De oudste overblijfselen van een menselijk bot zijn in Spanje gevonden. In de prehistorie moeten verschillende malen volkeren die uit Afrika afkomstig waren, de Straat van Gibraltar zijn overgestoken (en dus niet via Azië Europa zijn ingetrokken) en zich over Spanje hebben verspreid. Zij zijn familie van de “neanderthalers” en  worden de “Magdaleniens” genoemd en zouden zich later met de Basken vermengen. Uit de tijd van de Neanderthalers stamt de "vrouw van Gibraltar", een schedel van ca. 50.000 jaar v.Chr., gevonden in 1848. Veel is bekend geworden van deze eerste bewoners van wat wij nu Europa noemen en vooral in “Altamira” zijn grotschilderingen gevonden die dateren uit 12.000 v.C. Recent werden ook in de grotten van Nerja grotschilderingen gedateerd op 42.000 jaar oud gevonden, wat hen tot de oudste ter wereld zou maken. In 6000 v.C. werden door nieuwe bewoners “de ploeg”, “het verbouwen van gewassen”, het hebben van vee, potten, textiel en permanente vestigingen geïntroduceerd. Voordat de eerste bekende beschaving het Iberisch schiereiland zou “ontdekken” zouden eerst de metaalverwerking- en daarna de “megalieten” en koper hun intrede doen. 


Feniciërs, Grieken, Carthagers en Keltiberiers


Tussen 1000 v.C. en de Romeinen kwamen opzetten begonnen er verschillende beschavingen aan vooral de Westkust van Spanje te ontstaan. De Feniciers, afkomstig uit het huidige “Libanon” stichtten het koninkrijk “Tartessus” en de belangrijkste handels- en havenstad “Gades” (nu: Cadiz) wat hoogstwaarschijnlijk de oudste stad in Europa is.  Zij zouden het schiereiland ook z’n naam geven – “hispania” wat in hun taal “kust der konijnen” betekende. Nooit is duidelijk geworden of het koninkrijk “Tartessus” nu een stad of een staat is geweest en het heeft mythische vormen aangenomen zoals “Atlantis”. Het werd waarschijnlijk vernietigd door Carthago rond 500 v.C. De Feniciers troffen in Spanje een reeds ontwikkelde Iberische cultuur aan, gegroeid uit inheemse neolithische stammen. Ca. 600 v.Chr. werden namelijk de Feniciers gevolgd door de Grieken, die kolonies stichtten langs de oostkust, o.a. Emporion (nu: Empúries). Het noorden en westen van Spanje stonden toen onder invloed van de Keltische cultuur. Er was een mengvorm ontstaan van Kelten en Iberiërs. In Spanje kun je vandaag de dag nog steeds vele resten ontdekken van o.a.  "verracos" – kleine forten op heuvels in het landschap. Vanaf de 6e eeuw v.C. verdrongen de Carthagers (die zelf een kolonie waren geweest van de Feniciers in Tunesië) alle bestaande bevolkingsgroepen. De invloed van Carthago ging verloren door de voor hun ongelukkige afloop van de Punische Oorlogen met een andere opkomende Middellandse Zee macht; de Romeinen. 


De Romeinen en de Visigoten


Met de Punische Oorlogen kwamen de Romeinen in 206 v.Chr. in Spanje. Met de Keltiberiërs in Centraal Spanje, alsmede met de stammen in het noorden en noordwesten had Rome nog een tiental jaren te strijden voordat deze definitief onderworpen waren. De verdere uiteindelijke verovering van het gehele Iberische Schiereiland verliep moeizaam. Maar toen de totale overheersing daar was ontstond er grote invloed (Romanisering) en grote welvaart in het gebied. De Romeinen legden wegen en aquaducten aan, stichtten steden, bouwden theaters, tempels, baden en het Latijn zou de grondtaal worden voor het huidige Spaans. Het Christendom zou geïntroduceerd worden en Spanje zou o.a. de Romeinse keizers “Trajanus” en “Hadrianus” “leveren”. Julius Caesar, die later beroemd zou worden als veroveraar van Gallië, werd in 61 v.Chr. gouverneur van de Romeinse provincie “Hispania Ulterior”.

 

Door de invallen van de Barbaren in de 3e eeuw liepen beschaving en welvaart sterk terug. In het begin van de 5e eeuw, toen het Romeinse rijk ten onder dreigde te gaan, drongen Germaanse stammen (o.a. “Franken” en “Allemani”)  Spanje binnen. De Romeinse periode eindigt omstreeks 400 met de komst van de Visigoten, die oorspronkelijk in dienst waren als huurlingen bij de Romeinen, maar later als roofzuchtige benden de hele economie van Spanje ten gronde zouden richten. Catalonië werd in 415 veroverd door de Visigotische koning Athaulf, gevolgd door andere Gotische veroveraars die in vijftig jaar tijd het gehele schiereiland veroverden. Het Visigotische rijk strekte zich op een gegeven moment uit tot aan de Pyreneeën toen ook de Sueven onderworpen werden. In het zuidoosten werden de Byzantijnen verdreven.. De Visigoten vluchtten op hun beurt weer westwaarts door de zeer brute Hunnen uit het Oosten die de grote volksverhuizing veroorzaakte. De hoofdstad van de Visigoten was aanvankelijk Toulouse (Tolosa), maar door de nederlaag tegen de Franken in de Slag bij Vouillé (507) werd deze verplaatst naar Toledo (Toletum). De Visigoten bekeerden zich tot het katholicisme. Al werd het grootste deel van het bezit afgenomen, toch bleef de Romeinse beschaving echter bestaan. De steden behielden de Romeinse organisatie en de kerk behield haar bisschoppen en haar katholieke cultus. De boeren werden onderdrukt door de edelen en de geestelijken die uiteindelijk de macht hadden. 



De Arabische periode en de “Reconquista”


Onderlinge conflicten van de Vsigoten leidden tot het inroepen van militaire hulp uit Noord-Afrika. Deze Moorse hulptroepen werden echter veroveraars. De historische inval van de Moren in 711 via Tarifa en Gibraltar, op verzoek van enkele twistzieke Visigotische heersers nota bene, konden de Visigoten dan ook niet weerstaan. Zij waren te verdeeld en hadden geen steun bij de bevolking; ze werden zelf nog teveel als vreemde overheersers beschouwd. In het jaar 712 veroverden de Moren  Catalonië en bereikten zij de Pyreneeën. Zij vestigden het emiraat, later kalifaat van Córdoba. Over de Pyreneeën werden zij tegengehouden door de machtige Franken. De moren waren tolerant en verdraagzaam. De toestand van de lagere volksklassen (o.a. slaven) en van de Joden verbeterde. De ongelovigen werden wel verplicht tot de Islam over te gaan. De Christenen en de Joden mochten hun eigen godsdienst behouden al zouden vele hun zelf bekeren om een ambt te kunnen bekleden en belasting te ontlopen. In het jaar 795 doet Karel de Grote een poging om Spanje aan zijn rijk toe te voegen. Aanvankelijk werd hij bij Roncesvalles verslagen al zou hij wel wat land overnemen; hiervandaan gaf hij steun aan de christelijke staatjes in het noorden van Spanje. In de bijna 6½ eeuw, waarin Spanje onder Moors bewind heeft gestaan, is het land tot bloei gekomen. De Moren voerden de islam in en er ontwikkelde zich een Moors-Spaanse cultuur van het allerhoogste wereldniveau. Sevilla, Córdoba en Granada groeiden uit tot wereldsteden. Door een uitgekiend irrigatiesysteem bloeide de landbouw met landbouwproducten, door hen meegebracht uit Azië. Ze plantten olijfboomgaarden in het zuiden, dadelpalmen op Mallorca en sinaasappelen in de omgeving van Valencia.

 

Hierna brak een machtsstrijd uit tussen Berbers en Arabieren. Daarna viel het kalifaat van Córdoba in 1031 uiteen en er ontstond een onderlinge strijd waarvan de christelijke staten in het noorden gebruik maken. León, Navarra, Castilië en Aragón werden als zelfstandige staten gevormd van waaruit de “Reconquista” (de herovering) begon. Maar door onderlinge verdeeldheid aan christelijke kant eindigde de reconquista pas met de val van Granada op 2 januari 1492. Deze datum wordt vaak beschouwd als de eigenlijke vereniging van Spanje en was het einde van de Arabische periode. De moslims werden in het begin met rust gelaten onder het mom “je kunt je eigen geloof blijven belijden” maar de Spaanse inquisitie zou ervoor zorgen dat zowel Joden als Moslims van alles werden beroofd. 


De ontdekkingsreizen en Spanje als wereldrijk


Inmiddels had Spanje zich, in navolging tot Portugal, op de ontdekkingsreizen gestort. Christoffel Columbus ontdekte in Spaanse dienst Amerika maar dacht tot zijn dood dat het Azië was. Hij landde in 1492 in de Bahama’s en zou in z’n drie reizen het huidige Haïti, Jamaica, Cuba en o.a. Trinidad ontdekken. Door de vrede waren er talloze werkloze soldaten achtergebleven, die nu geen middel van bestaan meer hadden. Velen besloten zeevaarder of conquistador (veroveraar) te worden. De ontdekkingsreizigers en zeevaarders hadden dan ook geen moeite manschappen te vinden. De succesvolle expedities van Cortés en Pizarro mondden uit in de verovering van het Azteekse- (o.a. in Mexico) en het Incarijk (o.a. Peru, Bolivia, Ecuador) , en de stichting van het Spaanse wereldrijk. Hoewel de officiële lezing was dat het christendom werd gepredikt, ging het toch in hoofdzaak om de grote hoeveelheden goud, zilver en andere kostbaarheden, die naar het moederland Spanje werden gebracht.

 

Door trouwerijen over en weer werd de Vlaamse “Hasburger” Karel V (Carlos I) de nieuwe heerser van grote delen van Europa en de wereld. Het Spaanse rijk strekte zich over de hele wereld uit. Keizer Karel V heerste over Duitsland, Bourgondië, de Nederlanden, Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Moravië, delen van Italië, de Filippijnen en het grootste deel van Midden- en Zuid-Amerika. Bij Karels troonsafstand in 1556 werd het rijk verdeeld tussen zijn zoon Filips (Spanje plus koloniën en de Nederlanden) en zijn broer Ferdinand (Oostenrijk en het keizerschap). In deze tijd sloten in Spanje het koningshuis en de Rooms-katholieke Kerk een nauw verbond tot onderdrukking van afwijkingen op kerkelijke en politiek gebied. Met de troonsbestijging van Filips II begon een periode van verval van de Spaanse monarchie. De Nederlanden maakten zich los wegens godsdiensttwisten en de centralisatie waar zij het niet mee eens waren. De Turken bleven het de Spanjaarden lastig maken in de Middellandse Zee maar werden bij de slag bij “Lepanto” (1572) verslagen. De Fransen bestreden de Habsburgers omdat ze zich omsingeld voelden. In 1580 veroverde Filips II Portugal, maar het verloop van de strijd tegen de Nederlanden tijdens de Tachtigjarige Oorlog verzwakte zijn prestige. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was vanaf 1588 de facto onafhankelijk, en ontwikkelde zich op handels-, zeevaart- en koloniaal gebied al snel tot een concurrent. Een andere mededinger was Engeland. Uiteindelijk namen deze landen de leidende positie van Spanje over. De vele oorlogen brachten Spanje, ondanks de ontzaglijke rijkdommen die uit Amerika toestroomden, aan de rand van de financiële afgrond. Zware belastingen drukten op de bevolking. In 1640 wist Portugal zich met steun van Frankrijk weer los te maken van Spanje. Madrid zou als kleine provinciestad uitgekozen worden als hoofdstad. In 1700 stierf Karel II van Spanje kinderloos, hetgeen een einde betekende van het Habsburgse koningshuis in Spanje. Filips V was door het huwelijk met Maria Theresia met de Franse koning Lodewijk XIV in rechten getreden voor de Spaanse troon. Deze opvolging gaf onder de Europese koningshuizen zoveel beroering, dat de Spaanse Successieoorlog er het gevolg van was.



Van Habsburg naar Bourbon naar Bonaparte


Van 1701 tot 1714 woedde de Spaanse Successieoorlog. Tijdens deze oorlog in 1704 bezetten de Engelsen Gibraltar en het eiland Menorca en de Spanjaarden verloren ook het huidige België aan de Oostenrijkers. Deze oorlog resulteerde in een gecentraliseerde staat met aan het hoofd het huis van Bourbon (dat nu nog aan de macht is). Tijdens de “verlichting” werd de inquisitie (eindelijk) beëindigd en de marine flink uitgebreid. Tijdens de Franse Revolutie koos Spanje de zijde van Engeland en Oostenrijk. Maar een paar later, in 1796 verbond Spanje zich met het Franse Directoire en verklaarde de oorlog aan Engeland. Spanje bleef bondgenoot van Napoleon Bonaparte en werd hierdoor in de Eerste Coalitieoorlog meegetrokken. In 1805 werden vlootonderdelen van Spanje verslagen bij Finistère en Trafalgar. Drie jaar later vielen Franse troepen Spanje binnen en deden de koning en zijn zoon onder druk van Napoleon afstand van de troon. De daarop volgende volksopstand in Madrid werd door Murat bloedig onderdrukt en Napoleons broer Jozef Bonaparte werd tot koning van Spanje benoemd. Als reactie hierop volgde van 1808 tot 1813 een bloedige landelijke opstand die vanuit Portugal gesteund werd door de Britten onder leiding van Wellington, die de Fransen in 1809 bij Talavera de la Reina een zware nederlaag toebracht. Het begon allemaal toen generaal Junot 27.000 onervaren soldaten kreeg om de regering van Lissabon aan te pakken. Portugal voerde namelijk handel met Engeland, een overtreding van Napoleons Continentale Stelsel. Terwijl Junot zich op Portugal concentreerde, richtte Napoleon zich op de ontstane guerrillaoorlog in Spanje. Deze oorlog wordt in Spanje steevast de onafhankelijkheidsoorlog genoemd. Voor de oorlog met Rusland (1812) moest Napoleon  troepen uit Spanje weghalen, terwijl de problemen in Spanje niet waren opgelost. In mei 1813 verliet Jozef Bonaparte Madrid en op 21 juni volgde de beslissende overwinning van Wellington op de Fransen. 


De onrust tussen 1815 en 1930


Ferdinand VII van Spanje werd koning en beloofde de grondwet te erkennen, maar al snel regeerde hij als een absoluut monarch. Door de voorafgaande periode van oorlog en chaos raakte Spanje de macht over zijn koloniën kwijt, waardoor heel Midden- en Zuid-Amerika in opstand kwam. Uiteindelijk raakte Spanje vrijwel zijn hele koloniale rijk kwijt. Problemen over opvolging en troonrechten leidde tot de Eerste “Carlistenoorlog”. Aan de ene kant stond het conservatie blok met de kerk, de conservatieve achterban en de rebellen in Baskenland (die meer autonomie eisten). Aan de andere kant stonden de Liberalen inclusief het leger. Als resultaat werd in 1873 Spanje de federatieve Eerste Spaanse Republiek uitgeroepen, met een nieuwe grondwet en een democratisch bestuur. Een verdeling van het grondbezit en het vestigen van boerenbedrijven op coöperatieve grondslag was voor de carlisten een reden om de Tweede Carlistenoorlog te beginnen. In 1871 werd Alfons XII van Spanje tot koning uitgeroepen.

 

In de tweede helft van de 19e eeuw leidde de Spaans-Amerikaanse Oorlog tot het verlies in 1898 van de laatste Spaanse koloniën op het westelijk halfrond: Cuba, Puerto Rico, de Fillippijnen en Guam. De nederlaag van Spanje in de Spaans-Amerikaanse oorlog en de moord op Cásanovas in 1898 leidde tot verstoring van het evenwicht. De opkomende industrie en de daarmee gepaard gaande armoede gaf aanleiding tot stakingen, opstanden en sabotageacties.

 

In de Eerste Wereldoorlog was Spanje neutraal. De armoede nam hand over hand toe alsmede de onrust in de vorm van aanslagen, rellen en demonstraties. Immigranten trokken naar de stad voor werk (wat er niet was) en vele Spanjaarden emigreerden naar Latijns Amerika. Catalonie en Baskenland wilden autonomie, de Russische Revolutie waande door het politieke land, de positie van de kerk en het grootgrondbezit waren problemen waren te groot voor de toenmalige regeringen Er werden tijdens de monarchentijd van “Alfonso XIII” (1902-1930) dertig nieuwe regeringen geformeerd (links en rechts). In de jaren 30 mondde de opstanden en voortdurende politieke instabiliteit uit in een serieus conflict – de Spaanse burgeroorlog. 


De Spaanse burgeroorlog en Franco


Op 17 juli 1936 begon de Spaans-Marokkaanse opstand, een generaalsopstand tegen de wettige regering, die weldra naar Spanje oversloeg. De burgeroorlog begon als een nationalistische opstand tegen de wettige republikeinse regering, maar was, met alle buitenlandse bemoeienissen, feitelijk een conflict tussen de democratie en het franquisme (nationalisme), een variant op het Italiaanse fascisme. Aanvankelijk steunden de opstandige generaals hoofdzakelijk op de 18.000 man sterke Marokkaanse troepen en de 40.000 Carlististische conservatieven. Generaal Franco, leider van de nationalisten, kreeg steun van Duitsland en Italië, terwijl de regering op beperkte schaal werd geholpen door de toenmalige Sovjet-Unie en de vele buitenlandse internationale brigades (o.a. Fransen en Belgen).  In de burgeroorlog die van 1936 tot 1939 woedde werden zo’n 350.000 Spanjaarden gedood. De nationalisten overwonnen, en generaal Franco bleef als dictator aan de macht tot zijn dood in 1975.

 

Hij liet zich "Caudillo d'España por la Gracia de Dios" (Leider van Spanje bij Gratie Gods) noemen en regeerde alleen zonder enige andere groep voldoende macht te geven. T.t.v. WWII die een paar maanden na het einde van de burgeroorlog begon, hield Franco Hitler aan het lijntje m.b.t. een alliantie maar zou nooit zo ver gaan. In de beginfase steunde hij de “As” verbaal, verklaarde zich "non-belligerent", maar stuurde wel de Blauwe divisie, bestaande uit vrijwilligers, naar het oostfront om nazi-Duitsland bij te staan tegen de Sovjet-Unie als tegenprestatie voor wat Duitsland had gedaan voor z’n Spanje. Aan het einde van de oorlog zou Franco zich neutraal opstellen. Spaanse communisten en leden van het Franse verzet zouden in 1944 nog een poging doen Franco van de troon te stoten door aan te vallen in de Pyreneeën maar ook deze aanval zou tot niets leiden. Tot aan 1950 zou er verzet in deze gebieden blijven bestaan. Door de fascistische sympathieën van Franco geraakte Spanje na de Tweede Wereldoorlog in een economisch en politiek isolement. T.t.v. de Koude oorlog zou z’n anticommunistische opstelling hem daarentegen weer wat Westerse sympathie opleveren. Toen hij tegen betaling van grote hoeveelheden hulpgoederen z’n land open stelde voor vier Amerikaanse legerbasissen werd Spanje in 1955 toegelaten tot de Verenigde Naties. De Spaanse koloniën Marokko, Spaans-Guinea (nu: Equatoriaal Guinee) en Spaans Sahara (nu: Westelijke Sahara) werden in respectievelijk 1956, 1968 en 1975 zonder veel strijd opgegeven.

 

Ondanks het dictatorschap was Spanje stabiel en enigszins betrouwbaar geworden wat goed uitwerkte voor de economie die in de jaren 60 toenam. Het toerisme nam een voorsprong en de industrie groeide, terwijl de gevangenissen nog steeds vol zaten met politieke gevangenen, grote kazernes rond elke stad gebouwd waren vol soldaten en de ETA opgericht werd en vocht voro een onafhankelijk Baskenland. Toen Franco z’n gezondheid achteruit ging bepaalde hij dat na zijn dood de monarchie hersteld moest worden en liet in 1969 Juan Carlos de Bourbon als toekomstig koning beëdigen. In 1973 werd premier Carrero Blanco, de tweede man van het regime achter Franco, gedood bij een aanslag van de ETA. 



Democratie


Na de dood van Franco werd Juan Carlos I, de kleinzoon van Alfons XIII, de nieuwe koning. Mede door zijn toedoen kwam in 1978 een democratische grondwet tot stand. Deze periode verloopt vredig en wordt de Transición, 'overgang' genoemd. Langzaam maar zeker wordt een democratiseringsproces op gang gebracht. Op 23 februari 1981 mislukte een staatsgreep van Antonio Tejero. In 1982 werd de sterk gecentraliseerde eenheidsstaat getransformeerd in een gedecentraliseerde staat met autonome regio's. Felipe González werd de nieuwe premier en hoewel zijn eerste regeerperiode geteisterd werd door corruptieschandalen wist hij ook de verkiezingen van 1986 en 1990 te winnen. Het verwachte vernieuwingsproces en het terugdringen van de werkloosheid bleven onder zijn bewind uit. In 1986 trad Spanje toe tot de Europese Gemeenschap, zodat het vanaf 1993 van de vrije markt kon profiteren. In de jaren 80 toen de “PSOE” (de arbeiderspartij) aan de macht was werd Spanje toegelaten tot de “EU” en groeide de welvaart in Spanje tot ongekende hoogte. Eind jaren 80 werd het land desondanks besmeurd met schandalen m.b.t. corruptie en o.a. de doodseskaders die zogenaamde “ETA” leden hadden vermoord. President “Aznar” zou in de jaren 90 de eerste crisis in Spanje ombuigen en vele bedrijven privatiseren en staatsbedrijven afkopen. In 1992 en 1993 werden er verschillende belangrijke ETA-kopstukken gearresteerd en ook de Baskische bevolking keerde zich steeds meer af van de terreurorganisatie.

 

Eind jaren 90 steeg de economische groei weer en werd het land gevraagd de euro in te voeren. Er kwam een minderheidsregering onder leiding van premier Aznar, die steunde op een alliantie met Baskische en Catalaanse partijen samen met de Canarisch Eilanden-coalitie. Ook nu kwam deze alliantie tot stand na toezeggingen voor meer autonomie. Het enige waar de regering-Aznar niet in slaagde was het terugdringen van de grote werkloosheid. De ETA voerde ondertussen steeds meer aanslagen uit ondanks massale demonstraties tegen het politieke geweld. Naar aanleiding van het zogenaamde "Iers overleg" wisten de nationalistische Baskische partijen de ETA ertoe te bewegen een wapenstilstand in te stellen. De laatste jaren van de 20e eeuw kwam de kwestie rondom de Engelse enclave Gibraltar weer om de hoek kijken. De regering-Aznar stelde voor om na een overgangsperiode van honderd jaar, waarin Gibraltar onder Spaans-Brits bestuur zou komen te staan, de kolonie aan Spanje over te dragen. De in 1998 aangekondigde wapenstilstand met de ETA werd eind 1999 alweer eenzijdig opgezegd door de ETA. 


De jaren 2000


In maart 2000 behaalde Aznars partij een grote verkiezingsoverwinning en leed de PSOE zijn grootste nederlaag in meer dan twintig jaar. Sinds de verkiezingen van 14 maart 2004 is de socialistische partij 'PSOE' als regeringspartij aangetreden met José Luis Rodríguez Zapatero als MP. Op 11 maart 2004 werd Spanje opgeschrikt door een aantal aanslagen op forensentreinen in Madrid. Er vielen 191 slachtoffers. De aanslagen waren vermoedelijk gepleegd door Al Qaida, vanwege de Spaanse militaire aanwezigheid in Irak. Premier Aznar legde de schuld in eerste instantie bij de Baskische terreurbeweging ETA. Dit werd hem niet in dank afgenomen, en zijn partij werd weggestemd ten gunste van de sociaaldemocraat Zapatero. Deze kondigde een verandering van beleid aan, en trok de troepen terug uit Irak.

 

Zapatero zou tijdens de achtste en de negende legislatuur aan de macht blijven. Tijdens zijn tweede termijn slaat de crisis hard toe. De reactie van Zapatero's regering hierop wordt als onvoldoende ervaren. Aan het einde van zijn regeerperiode stijgt de werkloosheid in het land boven de 20% uit. In de verkiezingen van 2011 wordt zijn partij hard afgestraft, ten gunste van de conservatieve PP van Mariano Rajoy. In de zomer van 2012 loopt de werkloosheid op tot boven de 25% en moet Spanje de hulp inroepen van de EU. In het najaar van 2012 slaat de bankencrisis hard toe en de regering creëert op verzoek van de EU zogenaamde "bad banks" om daar de slechte leningen in te stoppen. In 2013 wordt Spanje geteisterd door corruptieschandalen waar ook het Koninklijk Huis bij betrokken is. Economisch gezien gaat Spanje iets vooruit. In mei 2014 kondigt premier Rajoy het aftreden van koning Juan Carlos aan. Op 19 juni 2014 wordt hij als staatshoofd opgevolgd door zijn zoon Felipe VI.


CATALONIË onafhankelijk


In mei 2015 wint Podemos, de anti-bezuinigingspartij flink bij regionale en lokale verkiezingen. In juni 2016 winnen de conservatieven bij een herhaalde parlementsverkiezing, maar komen zetels tekort voor een absolute meerderheid. Spanje verkeert in een impasse omdat het land geen coalitieregering gewend is. Rajoy claimt dat hij een nieuwe regering wil vormen. In oktober 2016 lukt hem dat omdat de socialisten zich onthielden van stemmen bij de vorming van een minderheidskabinet. In maart 2017 wordt het de voormalig Catalaanse president Artus Mas verboden om een publieke functie te bekleden vanwege burgerlijke ongehoorzaamheid rond het referendum omtrent onafhankelijkheid van Catalonie. In augustus 2017 is er een grote terroristische aanslag op de Rambla in Barcelona. In september 2017 tekent de Spaanse regering van Rajoy beroep aan tegen het referendum over de afscheiding van Catalonie. Het Spaanse Grondwettelijke hof noemt het referendum illegaal. In oktober 2017 wordt het referendum gehouden en grijpt de Spaanse politie hard in. De meerderheid van de bevolking steunt de seperatisten en de Catelaanse regering roept de onafhankelijkheid uit. Puigdemont vertrekt naar Brussel en er wordt een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd. In december 2017 organiseert de Spaanse regering verkiezingen in de hoop dat de meerderheid nu voor Spanje zal stemmen. De pro-Spaanse partij wordt wel de grootste, maar de meerderheid van de bevolking steunt onverwachts seperatistische stromingen. Er ontstaat een patstelling. In 2018 kondigt ETA aan dat het alle politieke activiteiten zal staken, Rajay verliest een motie van vertrouwen. De socialistische leider Pedro Sánchez wordt premier. In 2019 worden verschillende verkiezingen gehouden. De socialisten zijn aan de winnende hand, maar halen geen absolute meerderheid, maar in januari 2020 wint Pedro Sánchez een motie van vertrouwen in het parlement en vormt hij een minderheidsregering met de linkse Podemos-partij.

 

In 2021 worstelt Spanje net als vele andere Europese landen met het corona-virus. Op de Canarische eilanden volgt een wekenlange vulkaanuitbarsting terwijl Mallorca dealt met een fatale vechtpartij tussen Nederlandse jongeren met een dodelijk slachtoffer. 



zie ook: