De gijzelingscrisis (1979 - 1981)

Geschiedenis (achtergrond) - Iran


inleiding


De gijzeling kwam voort uit een ongenoegen wat betreft Amerika's invloed in Iran. In 1953 had de CIA door middel van een coup de democratisch gekozen seculiere Mohammad Mossadeq afgezet en de Sjah aan de macht geholpen, en had lange tijd zijn dictatoriale maar ook seculiere, waardoor mannen en vrouwen gelijke rechten hadden, bewind ondersteund.

 

Kort na de Iraanse revolutie in februari 1979 was de ambassade al korte tijd bezet. In de maanden daarna probeerde de Amerikaanse regering goede banden op te bouwen met het nieuwe bewind in Iran, vooral door de militaire samenwerking voort te zetten.

 

Op 22 oktober 1979 stond de Amerikaanse regering de Sjah toe om in de Verenigde Staten behandeld te worden tegen kanker. De Amerikaanse ambassade in Teheran had hiervoor nog een negatief advies afgegeven, omdat zij de negatieve gevolgen en de reactie van Iran vreesden.


de gijzeling


Verschillende Iraanse studenten ontwikkelden een plan om de ambassade te bezetten. Volgens de groep was de nieuwe geestelijk leider Khomeini niet van tevoren op de hoogte gebracht van de plannen, omdat zij vreesden dat hij dan moest ingrijpen. 

 

Achteraf zou het voor hem makkelijker zijn om in te stemmen wanneer hij zag dat de actie succes had en uitging van zijn eigen volgelingen.

 

Aanvankelijk was de bezetting maar bedoeld voor een paar dagen, maar dit werd langer toen duidelijk werd hoeveel steun ervoor leefde onder de Iraanse bevolking, en toen duidelijk werd dat ayatollah Khomeini zijn goedkeuring gaf. De gijzelnemers eisten onder andere de uitlevering van de op dat moment in de Verenigde Staten verblijvende sjah.

 

Op de dag van de gijzeling wisten zes Amerikaanse diplomaten die op dat moment buiten de ambassade waren te ontkomen door onderdak te zoeken bij de Zwitserse en Canadese ambassade.

 

Het Canadese parlement hield in 1979 de eerste geheime zitting sinds de Tweede Wereldoorlog om verschillende Canadese paspoorten te verstrekken aan gestrande Amerikaanse burgers zodat zij het land konden ontvluchten.

 

De gijzelnemers lieten na de bezetting 13 vrouwen en een aantal buitenlanders gaan. Richard Queen, een andere gijzelaar, werd vrijgelaten in juli 1980 nadat er multipele sclerose was geconstateerd bij hem. De andere 52 gijzelaars kwamen pas vrij in januari 1981. Zij moesten vaak geblinddoekt paraderen voor de lokale bevolking en de tv-camera's. Ook werden ze vaak alleen opgesloten.

 

Op 5 februari 1980 ondergingen zij een nep-executie. Tijdens de gijzelingen werden zij vaak bezocht door diplomaten van andere landen. Deze hielpen de Amerikaanse regering om in contact te blijven met de gijzelaars. De gijzeling leidde in de Verenigde Staten tot een golf van patriottisme. President Carter kondigde een economische en diplomatieke boycot aan.

 

Acht miljard aan Iraanse tegoeden op Amerikaanse banken werden ook bevroren. De publieke woede ging zo ver dat Amerikanen met een Iraanse achtergrond deze verzwegen. Ook werden veel Iraniërs het land uitgezet.


>> Lees over bestemming Teheran waar de Amerikaanse ambassade nog staat. 



Operatie “Eagle Claw”


De Amerikaanse president Jimmy Carter was er op gebrand om de gijzelaars te redden, zeker met het oog op de naderende presidentsverkiezingen. Op 24 April 1980 probeerden Amerikaanse mariniers de gijzelaars te bevrijden met een speciale operatie Eagle Claw die jammerlijk mislukte. De operatie zou aanvankelijk twee nachten duren.

 

Bij het eerste deel van de actie zouden een aantal verschillende vliegtuigen en helikopers landen op een tijdelijke landingsbaan bij Tabas, in de woestijn in Oostelijk Iran.

 

De helikopters zouden worden bijgetankt in de woestijn onder de radar, doorvliegen naar Teheran. Vandaar uit zou de ambassade worden aangevallen en de gijzelaars worden teruggevlogen naar de USS Nimitz. Op de plek in de woestijn (codenaam Desert One) waren intussen problemen ontstaan.

 

Bij de eerste landing was er al met een granaatwerper op een benzinetruck geschoten, nadat deze stuitte op mariniers die net geland waren en de landingsbaan probeerden te beveiligen.

 

De chauffeur van de wagen kwam daarbij om het leven en de beschieting van de truck leidde wel tot een explosie die kilometers ver te zien was. Een bus met 43 passagiers, waarvan de route langs Desert One liep, werd vastgehouden. Zij werden weer vrijgelaten nadat de Amerikanen waren vertrokken. De eerste fase van het plan ging nog goed, maar toen de helikopters richting Teheran vlogen kwamen ze onverwachts in een zandstorm terecht.

 

Het afblazen van de missie

Twee helikopters kwamen daarbij in de problemen. De eerste wist een veilige noodlanding te maken en de bemanning kon nog worden opgepikt. De tweede Sea Stallion-helikopter moest terugkeren naar de USS Nimitz. Een derde helikopter was al in Tabas achtergebleven, omdat er problemen waren met het hydraulische systeem.

 

Er waren nog maar vijf helikopters over. President Carter besloot de missie af te blazen, omdat er op gerekend was dat er minimaal zes nodig waren om alle gijzelaars te vervoeren. Om terug te vliegen moesten de helikopters weer worden bijgetankt door de C-130. De landing van de helikopters zorgde echter voor een stofwolk en de piloot raakte gedesoriënteerd en crashte daarom boven op de C-130.

 

Daarbij kwamen vijf inzittenden van de C-130 om en drie inzittenden uit de helikopter. Alleen de piloot van de helikopter overleefde het ongeval. De overige Amerikanen haastten zich bij de evacuatie van de plaats van het ongeval. Bij de vlucht werden vijf Sea Stallion-helikopters, de meeste in goede staat of slechts lichtbeschadigd, achtergelaten. Ook werden per ongeluk documenten achtergelaten die de identiteit van verschillende CIA-agenten in Iran onthulden. Zij slaagden er overigens in het land te verlaten.

 

Een nieuwe organisatie na kritiek

Het Witte Huis maakte de volgende dag de mislukte operatie bekend. Er kwam veel kritiek op (aspecten van) de operatie. Bijvoorbeeld het tekort aan helikopterpiloten die bekwaam genoeg waren om bij nacht laag te vliegen. Naar aanleiding van de mislukte gijzeling werd het United States Special Operations Command (USSOCOM) opgericht.

 

Cyrus Vance, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken trad af omdat hij van tevoren niet van de aanval op de hoogte was gesteld. In Iran zorgde de mislukte aanval voor een gevoel van triomf. De gijzelaars werden voortaan op verschillende plaatsen in Iran vastgehouden om eventuele verdere reddingspogingen tegen te gaan.


>> Lees ook over de Cuba crisis in 1961 


einde gijzeling en nasleep


De dood van de Sjah op 27 juli 1980 en het uitbreken van een oorlog met Irak in september 1980 zorgde ervoor dat de leiding van Iran een einde wilde maken aan de gijzeling. In november 1980 werd Ronald Reagan gekozen als nieuwe president.

 

Op 19 januari 1981 werden de Algiers-akkoorden gesloten. Daarin werd de vrijlating van de gijzelaars geregeld, het vrijgeven van Iraans banktegoeden en immuniteit tegen eventuele eisen tot schadevergoeding waarmee Iran in Amerika mee geconfronteerd zou kunnen worden.

 

Twintig minuten nadat Carter was afgetreden en Reagan benoemd als president werden de gijzelaars overgedragen aan de Verenigde Staten. Via Algerije vlogen zij naar een legerbasis in West-Duitsland waar Jimmy Carter op hen stond te wachten.

 

Eind juni 2005 kwam het bericht naar buiten dat enkele Amerikanen die bij de bezetting gegijzeld werden, Mahmoud Ahmadinejad, die eerder die maand was verkozen tot president van Iran, meenden te herkennen als een van de leiders van de bezetting. Ook de bekende BBC-journalist John Simpson schreef dat hij hem herkende. Ahmadinejad en enkele andere Iraanse leiders gaven echter aan dat de president niet bij de gijzeling betrokken was.

 

In april 2014 werd een van de voormalige studenten die betrokken waren bij de gijzeling, Hamid Aboutalebi, benoemd tot Iraans ambassadeur bij de Verenigde Naties in New York. Dit leidde tot verontwaardiging bij Amerikaanse politici, wat de regering van de Verenigde Staten ertoe bracht Aboutalebi een visum te weigeren. Hierdoor kon hij niet aan de slag als ambassadeur.



film


"Argo" - (2012; 8,4)

Gebaseerd op ware gebeurtenissen, vertelt "Argo" het verhaal van een geheime operatie om zes Amerikanen te redden, ten tijde van de Iraanse gijzelingscrisis.

 

Wetende dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de zes worden ontdekt en waarschijnlijk gedood worden, moet een CIA-specialist met een riskant plan voor de dag komen om ze veilig het land uit te krijgen.



actueel


December 2015 - "compensatie":

Meer dan dertig jaar na hun vrijlating, krijgen Amerikanen die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig gegijzeld zaten in de Amerikaanse ambassade in Iran compensatie van de staat.

 

President Barack Obama ondertekende een wet waarin staat dat elk van de ruim vijftig gijzelaars of hun nabestaanden iets meer dan omgerekend vier miljoen euro krijgen.

 

De voormalige gijzelaars hebben drie decennia geprocedeerd om compensatie te krijgen. Door de miljardenboete die de Franse bank BNP Paribas in de VS moest betalen omdat het sancties tegen onder andere Iran had geschonden, kwam echter geld vrij. De boete werd voor een deel gereserveerd voor slachtoffers van staatsterreur.


zie ook: