GESCHIEDENIS - Schotland



prehistorisch schotland


Men gaat ervan uit dat de eerste bewoners van het huidige Schotland jagers waren die vanuit Engeland, Ierland en Noord Europa afkomstig waren. Uit de megalithische tijd zijn steencirkels en grafkelders gevonden en langzaam aan werd het leven anders ingericht; er werd veeteelt bedreven en er werd gehandeld. De meeste huizen in die tijd waren van hout maar in bosarme gebieden werden stenen gebruikt – deze zijn nu nog te bewonderen in Schotland. Ook van de “Beaker” mensen zijn spullen teruggevonden – zoals de aardewerken drinkbeker. In de 5e eeuw v.C. arriveerden de Kelten vanuit Europa.


picten en de romeinen


De Keltische stam, de Picten (wat komt van het woord “painted” (de beschilderden)) werden geassimileerd in de oorspronkelijke bewoners en zouden uitgroeien als grootste stam. De precieze rol van de Picten is nog steeds zeer onduidelijk aangezien weinig geschriften bewaard zijn gebleven.

 

De eerste veldslag uit de Schotse geschiedenis waarvan wij weten is er een uit het jaar 83 waarbij Romeinen een groep Kelten achtervolgden de hooglanden in en slaags raakten. Tweemaal ondernamen de Romeinen een poging om Schotland te veroveren. Nadat dat was mislukt bouwden zij van 117 tot 138 de muur van Hadrianus over de volle breedte van Groot-Brittannië om zich tegen de invallen van de Picten de beschermen. De toenmalige keizer redeneerde dat de beschaafde Romeinen niets te zoeken hadden in dit woeste land van mist, midgies, waterpartijen, glenns en barbaren. Later, tussen 142 en 154 bouwden de Romeinen zo’n 160 km noordelijk van de muur een 63 km lange Muur van Antoninus, die ze 20 jaar later al verlieten.

 

Tegen het einde van de vierde eeuw, toen ook de Romeinen vertrokken, bekeerde de Kelten zich op grote schaal tot het Christendom. Op dat moment waren de Picten en de Britons (meer zuidelijk) de grootste en belangrijkste stammen van Schotland. 


Alba en de onafhankelijkheidsoorlog


Op het grondgebied van het huidige Schotland woonden aan het begin van de Middeleeuwen verschillende volkeren. Aan het eind van de vijfde eeuw was in het westen een koninkrijk van de “Scoti” ontstaan afkomstig uit Ierland. Zij vochten tegen de Picten in clans die later koninkrijkjes werden. Schotland is eigenlijk nooit een erg stabiel koninkrijk geweest; het ging dikwijls gebukt onder de twisten tussen de verschillende clans die Schotland rijk was. Desondanks behield het eeuwenlang zijn politieke zelfstandigheid ten opzichte van Engeland. Terwijl de Picten steeds meer werden verdreven vestigden zich in de 6e eeuw steeds meer Angelsaksen in zuidoostelijk Schotland. De Scoten en Picten (wellicht onder constante aanvallen van de Noormannen vanaf de 9e eeuw) verenigden zichzelf in een koninkrijk Alba (huis van Alphin) waar ook andere stammen zich bij aansloten (de Lothians, de Britten en de Angelen). Door dynastieke huwelijken ontstonden op den duur vreedzame betrekkingen tussen de Noormannen uit Noorwegen en Schotland.

 

In 1290 stierf het huis Dunkeld uit. Er waren zoveel pretendenten voor de troon dat aan koning Eduard I van Engeland werd gevraagd een koning aan te wijzen. Zijn keuze viel op John Balliol, die daarmee min of meer een Engelse vazal werd. Hiermee begon een periode waarin de koningen van Engeland probeerden om Schotland onder hun heerschappij te brengen. Dit streven zou de Schotse geschiedenis gedurende de gehele veertiende eeuw in hoge mate bepalen. De Schotten spreken van de War of Independence. In 1295 sloot Balliol met Frankrijk en Noorwegen een bondgenootschap tegen Engeland, dat tot 1560 stand zou houden. De Engelsen bezetten het rijk en Balliol verdween in de Tower of London. Tijdens de opstanden die hierop volgden was William Wallace de leider van de Schotten. Hij behaalde enkele overwinningen op Engeland o.m. de Slag bij Stirling Bridge, maar werd in 1305 verraden en in Londen ter dood veroordeeld wegens landverraad. In 1306 kwam Robert the Bruce tegen de Engelsen in opstand. Hij vermoordde zijn rivaal John Comin en kreeg de steun van de andere adellijke clans. De onafhankelijkheid werd hersteld in 1314, toen Robert onverwachts het leger van Eduard II in de pan hakte bij Bannockburn. In 1384 kwam ook de vallei van de Teviot, Teviotdale, opnieuw onder Schotse heerschappij. Daarmee was de vroegere grens met Engeland vrijwel geheel hersteld.



De "Stuarts"


Toen de burgeroorlog tussen de geslachten “Bruce” en “Balliol” eindelijk was afgelopen en David II,  die jarenlang in Engelse kerkers had doorgebracht en als Schotse koning was gekroond, kinderloos stier moest er een nieuwe koning worden gekozen. Een kleinzoon van Robert besteeg de troon als Robert II van Schotland wat zodoende het begin was van het Huis Stuart, dat Schotland gedurende de volgende 343 jaar zou regeren.

 

Veel meer slachtoffers dan de oorlogen met Engeland maakte de pest, die Schotland tussen 1349 en 1455 een aantal malen teisterde. De bevolking nam significant af. Voor diegenen die de epidemieën overleefden, waren de gevolgen echter gunstig. Na twee eeuwen van stagnatie en bevolkingsafname begon de bevolking van Schotland in de zestiende eeuw weer te groeien. Zowel in de steden als op het platteland nam de bevolking toe. Maar de bevolkingsgroei bleef niet zonder gevolgen; het aantal armen nam toe, de prijzen van voedsel stegen en de verschillen tussen rijk en arm namen sterk toe.

 

In de 15e eeuw was onder invloed van Frankrijk weer een oorlog gestart tussen Engeland en Schotland. De zittende koning Jacobus V en werd opgevold door z’n net geboren dochter “Mary”. Zoals meestal was de lange periode van minderjarigheid een tijd van instabiliteit. Engeland mengde zich op allerlei manieren in de Schotse politiek. Aan de Beeldenstorm van 1559 ging een periode vooraf waarin het protestantisme geleidelijk aan aanhang verwierf en de reformatie van een jaar later geldt als een waterscheiding in de geschiedenis van Schotland. De eeuwenoude banden met Rome en de paus werden verbroken; aan de eredienst in het Latijn werd een eind gemaakt. Het eind van de regering van de katholiek gebleven Maria Stuart was weinig gelukkig. Hoewel zij inmiddels meerderjarig was en over politiek talent beschikte, brak er een burgeroorlog uit. Maria werd opgesloten maar ontsnapte en vluchtte naar Engeland. In juli 1567 werd Maria Stuart afgezet. Vijf dagen later werd haar minderjarige zoon, Jacobus VI (1567-1625), in Stirling tot koning gekroond. 


De Vereniging met Engeland


De nieuwe koning verhuisde vrijwel onmiddellijk naar Londen, vermoedelijk omdat Engeland aanzienlijk rijker en machtiger was. Schotland en Engeland bleven twee aparte koninkrijken, met elkaar verbonden door een personele unie. Hoewel Schotland in grote lijnen de feodale structuur van de Middeleeuwen bewaard leek te hebben, hadden in de voorgaande decennia niet-adellijke sociale groepen, landheren en pachters, sterk aan invloed gewonnen; er was duidelijk sprake van een opkomende middenklasse. Een periode van dramatische veranderingen was aangebroken. Karel I, een zoon van Jacobus, erfde in 1625 drie koninkrijken van zijn vader: Engeland, Ierland en Schotland, elk met een eigen kerk. Weldra vaardigde hij een decreet uit, waarbij alle na 1540 door de kerk of de kroon weggeschonken land teruggevorderd werd. Hoewel in het verleden veel koningen een vergelijkbare maatregel hadden uitgevaardigd, riep de revocation van 1625 veel verzet op, omdat deze zo ver teruggreep in de tijd en vrijwel geen uitzonderingen toeliet. De onrust verspreidde zich snel over heel Edinburgh en vervolgens over een groot deel van Schotland. De koninklijke raad ontvluchtte Edinburgh in het najaar. De opstandelingen, de 'supplicanten', begonnen zich te organiseren. Op 3 september 1650 werden de Schotten bij Dunbar verpletterend verslagen. Het leger van Oliver Cromwell bezette Edinburgh. Omdat Engeland geen katholieke koning meer wilde werd Willem III, de prins van Oranje koning, via zijn moeder een kleinzoon was van Karel I, getrouwd was met een dochter van Jacobus VII, en bovendien protestant.

 

In 1707 werden Engeland en Schotland verenigd tot één koninkrijk: het Verenigd Koninkrijk van Engeland en Schotland. Ook de parlementen van de twee landen werden samengevoegd. Formeel kwam deze unie tot stand op 1 mei 1707. De Schotten hoopten op effectief bestuur en economische voordelen. Die bleven vooralsnog uit. En er waren meer Schotten ontevreden. Dit verklaart waarom de katholieke Stuarts, op veel aanhang mochten rekenen. Toen het Huis Hannover in 1714 na de dood van koningin Anna, de laatste protestantse Stuart, de Britse troon erfde, bereidden de jakobieten een opstand voor. In de Slag bij Glen Shiel in 1719 wonnen de Britten tegen Rob Roy. Het verlies van de onafhankelijkheid bleef een belangrijk thema, dat veel Schotten bezighield. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog probeerden Franse troepen de jakobieten aan de macht te helpen, maar een storm sloeg de Franse invasievloot uiteen voordat die troepen aan land kon brengen. De invasie leidde wel tot nieuwe hoop onder Schotse jakobieten, die in 1745 in opstand kwamen. Na eerst een veldslag gewonnen te hebben werd de volgende verloren. Het werd verboden prive legers te hebben, een doedelzak te spelen of het dragen van een kilt. Hiermee kwam er een einde aan het streven van de jakobieten naar een katholieke vorst. Er zouden geen noemenswaardige opstanden meer zijn in Schotland, ook omdat de Engelsen inmiddels wegen hadden aangelegd in de woeste hooglanden. 



Victoriaanse tijd tot WWII


De eerste helft van de achttiende eeuw was voor Schotland geen voorspoedige periode. Het was in veel opzichten een tijd van stagnatie. Sinds 1760 vonden in de Schotse Hooglanden zogenaamde “clearances” plaats: waar land te gelde kon worden gemaakt door schapen te laten grazen, moesten de mensen verdwijnen. Aanvankelijk met een financiële aansporing, later zelfs met geweld. Ook deed zich een ander fenomeen voor; een fascinatie voor de Schotse Hooglanden – een eerste vorm van toerisme. Een derde was de industriele Revolutie waardoor veel mensen (hooglanders) naar de steden trokken om in de fabrieken te werken. De havens, koolmijnen, staalfabrieken en de textiel industrie draaiden op volle toeren.

 

Onder invloed van een religieuze heropleving aan het begin van de negentiende eeuw kwam het in 1843 tot de zogenaamde "disruption", een scheuring in de Schotse Kerk. Aanleiding was zowel de religieuze heropleving als verzet tegen het patronaatsrecht.

 

Toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd Schotland overspoeld door een golf van patriottische gevoelens. Veel mannen namen vrijwillig dienst in het leger. Slechts een enkeling, voornamelijk socialisten, verklaarde zich openlijk tegenstander van de oorlog. Vrijwel alle religieuze gezindten moedigden de oorlogsinspanningen aan. Met name de rooms-katholieke aartsbisschop van Glasgow, John Maguire, ontpopte zich als een gedreven ronselaar van soldaten. Velen hoopten dat de oorlog de bestaande maatschappelijke spanningen zou helpen overbruggen.

 

De jaren dertig waren een periode van crisis met massale werkloosheid. Deze was in Schotland nog aanzienlijk hoger dan in de rest van het Verenigd Koninkrijk.


WWII - heden


Misschien wel de opmerkelijkste actie in WWII was diegene van de landing van de toen tweede man van het Duitse Rijk – Rudolf Hess in een weiland niet heel ver van Glasgow. In de jaren na WW2 was de werkeloosheid hoog. Berucht is de koude winter van 1945/46. Deze ging vergezeld van voedselschaarste en het herhaald uitvallen van de elektriciteit. Bij de verkiezingen in 1945 had de Labour Party een grote overwinning geboekt. In Schotland behaalde de partij ongeveer de helft van de stemmen en daarmee 37 zetels in het Lagerhuis. De meeste van hen onderhielden nauwe banden met de vakbonden. Nadien was ook Labour over het algemeen gekant tegen het streven van nationalistische Schotten naar meer autonomie. Aanzetten daartoe werden in de kiem gesmoord. In 1999, bijna 300 jaar na zijn afschaffing, besloten de Schotten opnieuw een parlement op te richten onder de voorwaarden die waren vastgelegd door de regering van het Verenigd Koninkrijk via de Scotland Act 1998. Dit Schots parlement heeft de bevoegdheid om lokale aangelegenheden te regelen en gelimiteerde mogelijkheid om belastingen te heffen. Maar totale onafhankelijkheid van Engeland is net zo ver of dichtbij als het ooit geweest is.

 

Sinds de verkiezingen van 2011 leidt Alex Salmond van de Scottish National Party een meerderheidskabinet. In september 2014 spreekt de Schotse bevolking zich in een referendum uit dat Schotland binnen het Verenigd Koninkrijk blijft. In 2016 klinkt de roep om onafhankelijkheid weer sterker. De Schotten willen binnen de EU blijven en het Verenigd Koninkrijk heeft per referendum besloten om buiten de EU verder te gaan. Ondertussen heeft Nicola Sturgeon sinds 2014 het stokje overgenomen van Alex Salmond. Ze doet het vooral goed bij verkiezingen voor het parlement van het Verenigd Koninkrijk. Bij de laatste verkiezingen van 2019 haalde haar SNP 48 zetels van de 59 zetels die er voor Schotland te vergeven zijn. De SNP en de meeste Schotten zijn pro EU. In Mei 2021 is de SNP de grote winnaar van de regionale parlementsverkiezingen geworden. De partij van eerste minister Nicola Sturgeon lijkt net geen absolute meerderheid te hebben behaald. De SNP heeft mogelijk samen met de Green Party, die ook voor onafhankelijkheid is, wel een absolute meerderheid. De nationalisten en groenen willen de Schotse bevolking via een referendum vragen of Schotland uit het Verenigd Koninkrijk moet stappen. Zo'n referendum kan volgens Britse media eind 2023 gehouden worden. Sinds de Brexit is de roep om Schotse onafhankelijkheid echter luider geworden, omdat veel Schotten onderdeel van de EU willen blijven. De Conservative Party en de Labour Party leverden flink wat zetels in, maar zeggen dat de nationalisten zonder absolute meerderheid geen mandaat van de kiezer hebben gekregen.



zie ook: