GESCHIEDENIS - Montenegro



Illyriërs, Romeinen en Slaven


In het jaar 600 v.Chr. vestigden de Illyriërs zich in het huidige Montenegro. Zij gebruikten op grote schaal ijzeren voorwerpen en handelden intensief met de Griekse stadstaten. Ca. 400 v.Chr. vielen de Kelten vanuit het noorden binnen, vlak daarop gevolgd door de Romeinen. In 9 n.Chr. werden de Illyriërs definitief onderworpen door de Romeinen, hoewel het hele gebied Illyrië bleef heten. Na de dood van keizer Theodosius in 395, viel het Romeinse Rijk uiteen in twee delen. Rome verloor de macht over het oostelijke deel, dat het Byzantijnse Rijk werd. De scheiding in het midden werd getrokken in een noordelijke lijn van de huidige Albanese stad Shkodër en verdeelde Montenegro in twee stukken. Nadat de macht van het westen begon te tanen kwamen de invallen van de nomaden, eerst de Gothen in de vijfde eeuw en later door de Avaren die dan weer verdreven werden door de Slaven. De inmiddels geromaniseerde Illyriërs van de zuidkust van Dalmatië de barbaarse invasies van de Avaren in de zesde eeuw en stonden niet echt onder invloed van de Slaven in de zevende en achtste eeuw. Gedurende de 6e eeuw trokken Slaven vanuit Polen en het Baltikum de provincie Provalis binnen. Geleidelijk aan werden ze bekeerd tot het christendom. 


De Middeleeuwen


In 625 vormde keizer Heraclius een bondgenootschap met twee sterke Slavische stammen in de regio, de Kroaten en de Serven, die de Dalmatische kust controleerden. Het binnenland van Dalmatië werd een toevluchtsoord voor gevluchte stammen die vaak in een groot familieverband leefden. Het eerste Servische ministaatje onder leiding van Vlastimir ontstond op deze manier in ca. het jaar 850. Zij keerden zich tegen de Bulgaarse expansiedrift en erkende de Byzantijnse soevereiniteit over hun gebied. In 1042 versloeg Vlastimir de Byzantijnen; in 1077 regeerde zijn zoon Mihailo over een rijk dat het huidige Montenegro, Albanië en Herzegovina omvatte. Het koninkrijk verzwakte echter langzaam maar zeker, totdat Stefan Provencani de eerste Servische koning werd in 1217. De dynastie breidde zich geleidelijk uit totdat de negende koning, Stefan Dusan (1331-1355), regeerde over een gebied dat bestond uit het huidige Montenegro, Albanië, Macedonië en gedeeltes van Bosnië en Servië. 

 

Aan de kust begonnen de Ilyriers handel te drijven met de Venetianen die steeds meer invloed kregen aldaar. De aanwezigheid van de Kroaten en Slaven was minimaal in de buurt van Kotor en in die tijd begon Venetië de controle over te nemen over deze zuidelijke Dalmatische steden en het Dalmatisch werd al snel vervangen door het Venetiaans. 


De strijd met de Ottomanen


Het Ottomaanse rijk kreeg in 1354 voet op het vasteland van Europa en begon zich noordwaarts uit te breiden. De Slavische leiders waren erg verdeeld en werkten dan weer samen met de Turken en trokken daarna weer met elkaar op. De Turken veroverden Servië in 1389 (Slag bij Kosovo) en bezetten Bosnië in 1463 en Herzegovina in 1483. De Crnojevic-dynastie, die op dat moment over het huidige Montenegro regeerde, verplaatste in 1482 de hoofdstad van Žabljak bij het Skadarmeer naar Centinje om de Turkse aanvallers beter te kunnen weerstaan. Vanwege tactische redenen sloot koning Stefan een bondgenootschap met Venetië. vele christelijke Slaven en Albanezen naar Venetiaans Albanië waardoor het Romaans sprekende gedeelte van de bevolking in de minderheid kwam en de Serviërs en Albanezen begonnen te overheersen. De Republiek Venetië domineerde de kusten van het huidige Montenegro van 1420 tot 1797. 

 

In 1516 vond er een belangrijke constitutionele verandering plaats in Montenegro. De laatste representant van de Crnojevic-dynastie trouwde met een Venetiaanse en vestigde zich in Venetië. Hij verleende zijn opvolging aan de prins-bisschop van Cetinje. Ondertussen ging de oorlog met de Ottomanen door en hoewel Centinje in 1623, 1687 en 1712 door de Turken werd geplunderd, lukte het niet om de Montenegrijnen volledig te overheersen. In 1712 behaalde Danilo een belangrijke overwinning op de Turken bij Carev Laz, een belangrijk ijkpunt in de Montenegrijnse onafhankelijkheidsoorlogen. Danilo was ook een succesvol diplomaat, die onder andere vriendschappelijke betrekkingen aanknoopte met Peter de Grote van Rusland. Danilo’s opvolger versloeg de Turken in een serie veldslagen, waarop in 1799 de Ottomaan Porte er genoeg van had en de Montenegrijnse onafhankelijkheid erkende.



Napoleon en Montenegro


In 1806 versloegen Montenegro en Rusland de Franse keizer Napoleon bij Kotor. Montenegro versloeg daarna Napoleon nog eens bij Cavtat, Herceg Novi en in de Baai van Kotor.. Bij het Congres van Wenen werd de Baai toch aan Oostenrijk toegewezen waardoor Montenegro nog steeds verstoken was van de zozeer gewenste open weg naar de zee. Petar II was de opvolger van Petar I en wordt in het algemeen beschouwd als de belangrijkste heerser en grondlegger van het huidige Montenegro. 

 

Na een serie oorlogen en verdragen verklaarden Montenegro en Servië samen de oorlog aan Turkije in 1876, Rusland volgde een jaar later. Tussen 1876 en 1878 leidde Nikola het Montenegrijnse leger naar een aantal overwinningen op de Turken. Het Congres van Berlijn in 1878 bevestigde de territoriale aanwinsten en Montenegro verdubbelde bijna qua oppervlakte en de nieuwe grenzen werden internationaal erkend. Ook een open weg naar de zee was nu een feit. Nikola was ook een sociale hervormer, die gratis lager onderwijs, post- en telegraafkantoren, een netwerk van wegen en spoorwegen en persvrijheid introduceerde. In 1910 werd Nikola door het Montenegrijnse parlement uitgeroepen tot koning. In 1912 startten de Balkan-oorlogen tegen Turkije, maar opnieuw was Montenegro succesvol, helaas wel ten koste van veel slachtoffers. Het Verdrag van Londen leverde Montenegro nog meer grondgebied aan de Albanese en Kosovaarse grens op.


WWI


Na de eerste invasie van Servië door de Oostenrijkse legers in 1914 verklaarde Montenegro al snel de oorlog aan de centrale mogendheid. Het bezette direct het net gestichte Albanië. Het leger van ongeveer 50.000 soldaten o.l.v. Servische officieren was al snel gemobiliseerd. Oostenrijk stuurde een apart leger om Montenegro binnen te vallen en te voorkomen dat de Servische en Montenegrijnse legers konden samen werken. Ze konden zich goed verdedigen in de tweede invasie van Servië en slaagden er bijna in om Sarajevo in Bosnië en Herzegovina te bereiken. Bij de derde invasie moest Montenegro zich echter overgeven aan de legers van Oostenrijk-Hongarije en het Duitse Keizerrijk en werd het land bezet. Koning Nicolaas vluchtte naar Italië en later naar Frankrijk; de regering opereerde vanaf nu uit Bordeaux. Uiteindelijk konden de Serviërs Montenegro bevrijden van de Oostenrijkers. De Montenegrijnse koning werd nu beschuldigd van een aparte vrede met de vijand. Men zette hem daardoor af (met hulp van het leger dat door Serviërs werd geleid) en hij werd verbannen. Montenegro werd opgenomen in het Koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen op 1 december 1918 en nu geleid door de Servische Koning Peter I. Montenegro was hiermee het enige geallieerde land dat na de oorlog zijn onafhankelijkheid verloor. De koning was inmiddels overleden in 1921. Montenegrijnse troepen zouden tot 1924 nog een guerrillaoorlog voeren tegen de Joegoslaven. 

 

Tussen de twee wereldoorlogen verdween Montenegro als onafhankelijk land compleet van de Europese landkaart bij het ontstaan van Joegoslavië in 1929. De moord op koning Alexander van Joegoslavië door een Kroaat in 1934 en diens vervanging door de regent prins Paul, oom van koning Petar II, maakte voor het centrale regime in Belgrado weinig verschil.



Het interbellum


In de periode tussen beide Wereldoorlogen domineerde koning Alexander I de Joegoslavische regering. Het interbellum werd gemarkeerd door interne geschillen, etnisch geweld en rebellie. De vraag rees of Montenegro onafhankelijk moest worden of in het grotere geheel Joegoslavië blijven. Ondanks het feit dat Alexander een kleinzoon was van de Montenegrijnse koning Nicolaas was hij erg gekant tegen het idee van een onafhankelijk Montenegro. De communistische partij daarentegen steunde de gelijkheid van de Montenegrijnse natie met die van de Serviërs, Kroaten en anderen. Hierdoor werd de communistische partij populair in Montenegro, terwijl Belgrado Montenegro als een achtergebleven provincie zag. Duitsland kreeg in de jaren 30 steeds meer invloed op de Balkan en Joegoslavië. In 1938 verdween 53% van de Joegoslavische export naar Duitsland. Na de ‘Anschluss’, de annexatie van Oostenrijk door Hitler, probeerde Joegoslavië politiek onafhankelijk te blijven ondanks grote druk van de Duitsers om deel uit te gaan maken van de Axis-landen. De invasie van Tsjecho-Slowakije door de Duitsers en Albanië door de Italianen voerde de druk op Joegoslavië nog verder op, net als het niet-aanvalspact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie in 1939. In maart 1941 bond prins Paul toch in, en ondertekende het Tripartite Pact met Duitsland en Italië. Het volk reageerde zeer verontwaardigd en er volgde met behulp van de luchtmacht een geweldloze coup. Regent prins Paul werd verbannen en hij werd voor even opgevolgd door koning Petar II wat de nazi’s niet zinde aangezien zij deze koning als Brits gezind beschouwden. 


WWII


In April 1941 viel Duitsland Joegoslavië binnen en Petar vluchtte naar Londen met zijn regering in ballingschap. Daarna werd Joegoslavië opgedeeld tussen Duitsland, Italië, Hongarije en Bulgarije. Het grootste gedeelte van Montenegro kwam in handen van de Italianen, de rest werd door het Italiaanse bewind in Albanië bestuurd. Een zwakke poging van Italië om in Montenegro een marionetten-monarchie te installeren duurde niet lang. De Italiaanse koningin Helena, die de dochter was van koning Nicolaas overtuigde haar man Victor Emmanuel III om van Montenegro een onafhankelijke staat te maken, tegen de wil in van de fascistische Kroaten en Albanezen die Montenegro onder hun wilden verdelen.

 

Drie verschillende militaire groeperingen met hun eigen belangen zaten de Italianen erg dwars. Het autonome Kroatië onder Ante Pavelic en zijn Ustaša-beweging hanteerden een raciale zuiveringspolitiek die miljoenen joden, zigeuners en Serven het leven kostte. Het restant van het koninklijke Joegoslavische leger verborg zich op het platteland van Joegoslavië en vormden daar de Chetniks onder Dragoljub Mihailovic. De derde en belangrijkste militaire guerrillamacht waren de Partizanen onder leiding van Josip Broz, beter bekend onder zijn oorlogsnaam Tito. Tito wilde uiteindelijk een communistische staat in het naoorlogse Joegoslavië vestigen. Tegenstrijdige belangen zorgden er uiteindelijk voor dat de drie groepen in conflict kwamen met elkaar. De Britten steunden natuurlijk het gehele Joegoslavische verzet tegen de Axis-landen, maar richtten zich aanvankelijk instinctief vooral op de koningsgezinde Chetniks. Ze hadden echter al snel in de gaten dat alleen de Partizanen van Tito effectief verzet boden en zowel de Britten als de Amerikanen stelden zich toen vierkant op achter Tito en zijn Partizanen. 

 

De relatief geïsoleerde ligging van Montenegro en het bergachtige binnenland zorgden samen met de kracht van de lokale afdelingen van de Communistische Partij voor een ideaal strijdgebied. In 1943 gaf Italië zich over en werd de situatie voor de Partizanen gunstiger omdat de Italianen veel wapens en munitie achterlieten. In 1943 werd de staat geannexeerd door de Onafhankelijke Staat Kroatië waarna er een guerrillaoorlog uitbrak. In de zomer van 1944 kwam het einde van de oorlog in zicht. Tito ontmoette Churchill in Napels en vloog daarna door naar Moskou. Daar werden plannen gesmeed voor de bevrijding van Joegoslavië en in oktober werd met behulp van de Sovjets Belgrado bevrijd en snel daarna de rest van het land.



Onder Tito


De Partizanen hadden nu alle macht in handen met behulp van een 800.000 manschappen tellend leger, een effectieve overheid en geen bezettingsmacht. In november 1945 stemden 90% van de stemgerechtigden voor een nieuwe grondwet die de basis vormde voor de Federale Republiek Joegoslavië. De macht lag compleet bij de communisten en de geheime dienst (de UDBA) zorgde ervoor dat er van een serieuze oppositie geen sprake was. De hoofdstad Podgorica werd omgedoopt in Titograd, hetgeen pas in 1992 teruggedraaid zou worden.Min of meer als een beloning voor het gepleegde verzet, werd Montenegro een van zes republieken in het nieuwe Joegoslavië en kreeg een strook land langs de Dalmatische kust toegewezen. Joegoslavië was op dat moment niet alleen het sterkste Balkan-land, maar na de Sovjet-Unie ook het invloedrijkste land van Oost-Europa. Joegoslavië verwachtte van de Sovjet-Unie hulp bij enkele grensgeschillen (Italië en Oostenrijk), maar ook economische hulp. Men verwachtte ook erkenning voor het heroïsche verzet tegen de Duitsers, maar het tegendeel gebeurde. In 1948 werden Joegoslavische en Bulgaarse diplomaten naar Moskou geroepen, waar ze een uitbrander kregen in verband met hun onafhankelijke politieke opstelling ten opzichte van de Sovjet-Unie. Bulgarije zwichtte, maar president Tito schreef een beroemde brief naar de Russische leider Stalin waarin hij uitlegde dat er verschillende wegen naar het socialisme waren. In 1949 waren Oost- en West-Europa verdeeld door een ‘IJzeren Gordijn’ en was Joegoslavië vanwege zijn onafhankelijke opstelling uit het communistische Oostblok gestoten. 

 

Onder Tito ging het in Joegoslavië goed met de economie, met name door de sterke opkomst van het toerisme. Belangrijk was ook dat hij een bindende figuur was, die het land met zijn verschillende bevolkingsgroepen bij elkaar hield. De zes republieken hadden een zekere mate van autonomie, maar profiteerden in lang niet gelijke mate van de economische en sociale vooruitgang. Montenegro ontwikkelde zich daarbij het minst. Na de dood van Tito in mei 1980 begon Joegoslavië uit elkaar te vallen. Buitenlandse schulden en etnische spanningen liepen op.


Joegoslavië valt uit-elkaar


Toen in de jaren negentig Slovenië, Kroatië, Macedonië en Bosnië en Herzegovina zich losmaakten uit de Joegoslavische federatie, deed Montenegro als enige deelstaat naast Servië dit niet. De Montenegrijnse bevolking koos namelijk in een referendum in 1992 om binnen Joegoslavië te blijven. Dit referendum werd echter geboycot door voorstanders van onafhankelijkheid, waardoor bijna 96% tegen stemde (bij een opkomst van 66%). De regering steunde de oorlog van Slobodan Milošević tegen de andere afvallige staten. Er volgde oorlog in Slovenië (1991), Kroatië (1992) en Bosnië-Herzegovina (1992-1995). Op dat moment waren er nog twee republieken over: Montenegro en Servië riepen de nieuwe Federale Republiek Joegoslavië uit op 27 april 1992. Ieder had zijn eigen president, wetgeving en soevereiniteit over zaken die niet waren ondergebracht bij de federale regering.

 

De Servische nationalist “Slobodan Milosevic” werd in 1997 president van de Federatie en continueerde de politiek van het beperken van de rechten van de etnische Albanezen in de regio Kosovo. Er volgde een oorlog in die regio en werd pas gestopt na NAVO luchtaanvallen op o.a. Montenegro en Servië en de inzet van “KFOR” troepen. Montenegro distantieerde zich steeds meer van de Kosovo-politiek van Milosovic en bood onderdak aan meer dan 100.000 vluchtelingen. Door het handelsembargo dat de Verenigde Naties oplegde aan de FR Joegoslavië werden de levensaspecten in het land geraakt. Door de geografische ligging (toegang tot de Adriatische Zee en waterlink met Albanië via het Meer van Shkodër) werd Montenegro een plaats waar veel gesmokkeld werd. In oktober 2000 werd Milosevic afgezet en vervangen als federale president door Vojislav Kostunica. 

 

in maart 2002 ontstond een losse unie onder de naam Servië en Montenegro. Afgesproken werd dat Montenegro niet eerder dan in 2006 een referendum mocht houden. Deze constructie kwam tot stand onder druk van de Europese Unie, die een verder versnippering van de Balkan niet zag zitten en een zelfstandig Montenegro niet levensvatbaar achtte. 


Onafhankelijk


Op 21 mei 2006 mochten de Montenegrijnen naar de stembus en de volgende dag deelde de onafhankelijke kiesraad mee dat 55,4% van de kiezers ‘ja’ gezegd hadden tegen het voorstel om van Montenegro een onafhankelijk land te maken. De opkomst lag rond de 87% en was daarmee de hoogste opkomst ooit. Op 3 juni 2006 om 20.00 uur werd de onafhankelijkheid van Montenegro uitgeroepen.

 

Montenegro krijgt naar verwachting de status van kandidaat-lidstaat. Dat hebben de EU-ministers van Buitenlandse Zaken 14 december 2010 besloten. Het besluit moet nog wel bekrachtigd worden door de regeringsleiders van de EU-landen. De verwachting is dat die hiermee instemmen. Djukanovic worst na de verkiezingen in november 2012 voor de zevende keer premier van Montenegro. Filip Vujanovic wordt in april 2013 nipt herkozen als president. Eind 2015 besluit het parlement van Montenegro (tot woede van Rusland) toe te treden tot de NAVO. Dusko Markovic wordt in November 2016 de nieuwe premier van het land en in Juni 2017 wordt Montenegro een volwaardig lid van de NAVO. In Februari 2018 bereiken Kosovo en Montenegro een akkoord over een slepend grensverschil. De Montenegrijnse politieke veteraan “Milo Djukanovic” wint in April van dat jaar voor de zoveelste keer de presidentsverkiezingen. In Maart 2019 marcheerden wederom duizenden demonstranten door de hoofdstad om druk uit te oefenen op de regering in de strijd tegen corruptie en voor meer vrijheid in de Balkan-regio. Ze eisen het vertrek van president Milo Djukanovic en zijn regering.

 

 

De huidige socialistische regeringspartij DPS heeft op 31 Augustus 2020 met een nipte meerderheid de parlementsverkiezingen van Montenegro gewonnen. Het zal voor de partij echter nog lastig worden om een coalitie te vormen, omdat de pro-Russische alliantie van meerdere partijen met de naam “Voor de toekomst van Montenegro”, meer zetels behaalde. Deze partij bestaat onder meer uit Servische nationalisten die meer toenadering willen tot Rusland en Servië. De DPS van Djukanovic daarentegen vaart al ruim 28 jaar een pro-westerse koers. Reden van het tegenvallende resultaat voor DPS is mogelijk een controversiële wet uit 2019, die honderden kerken van de Servische orthodoxe kerk eigendom maakte van de staat. Hierop ontstonden grote anti-regeringsprotesten. Een derde van de Montenegrijnse bevolking identificeert zich als Servisch, ruim 200.000 mensen.



zie ook: