GESCHIEDENIS - Kosovo



vroege geschiedenis


De oudst bekende bewoners van Kosovo waren de Illyriërs: zij namen rond 1000 v.Chr. grote delen van het land in bezit en vestigden zich vooral in de kuststrook. In de loop der jaren werden zij berucht om hun zeeroverij, waartegen de Romeinen vanaf de 3e eeuw v.Chr. met succes optraden. In de 1e eeuw v.Chr. namen de Romeinen grote delen van het Illyrische binnenland - tot aan de rivier de Donau - in bezit. Het gebied werd toen in korte tijd geromaniseerd. De eerste Slavische stammen staken de Donau over in de 5e eeuw en trokken door het geromaniseerde land ten zuiden deze vroegere Romeinse grensrivier. Zij kwamen er onder invloed van de Romeins-Byzantijnse cultuur en maakten er kennis met het christendom, dat door enkele stammen werd aanvaard. Het oostelijke deel van het voormalige Joegoslavië (Servië, Montenegro en Macedonië) werd overwegend orthodox en nam het het cyrillische alfabet aan en het westelijke deel (Slovenië, Kroatië), Dalmatië en Albanië werden katholiek en nam het Latijnse alfabet aan.


het byzantijnse rijk


In de 6e eeuw namen de Slavische Serviërs het huidige Servië in bezit waar zij kleine vorstendommen vormden die in voortdurende staat van oorlog met elkaar leefden. De Bulgaarse tsaren konden deze stammen tot in de 10e eeuw schatplichtig houden, daarna nam Byzantium het gezag over, maar voortdurende opstanden maakten het in wezen tot een gebied van vrije stammen. Pas in de 12e eeuw slaagde Stefan Nemanja erin een Servisch Koninkrijk te stichten dat zijn opvolgers voortdurend uitbreidden. Het werd een machtige Balkanstaat onder Dušan (1331-1355), die zich in 1346 de titel van keizer toe-eigende. Dit Servische rijk ging zelfs een bedreiging vormen voor het langzaam wegkwijnende Byzantijnse Rijk. De bevolking van dit Groot-Servië was gemengd. Naast de dominante Serviërs, woonden in de bergen Walachen (Vlachen), een herdersbevolking die haar Romaanse taal had bewaard, de Albanezen die nooit volledig waren geromaniseerd en een afstammeling van het Illyrisch spraken, al was deze sterk door het Grieks en het Romaans beïnvloed geraakt. In de steden woonden ook veel Byzantijnen. Ook de Servische expansie ging in de 14e eeuw weer verloren, eerst aan Byzantium en vervolgens aan de Turken (Ottomanen). 


ottomaanse overheersing


eeds onder de regering van tsaar “Dušan” begon de dreiging uit het Oosten: in 1354 zetten de Turken voor het eerst voet aan wal op de Balkan. Het Servische keizerrijk kwam ten einde op 28 juni 1389, toen het Servische leger een nederlaag leed tegen de Turken bij Kosovo Polje (letterlijk Merelveld). Volgens een legende bloeien iedere lente rode pioenrozen op de destijds door bloed gedrenkte grond, die zouden zijn ontsproten uit het bloed van de Servische helden. Pas in 1455 zou geheel Servië veroverd worden. De bloedige nederlaag in Kosovo besliste voor vijf eeuwen over het verloop van de Servische geschiedenis. Sultan Bajezid maakte de Serviërs schatplichtig en behandelde hen als tweederangsburger. Geregeld kwamen de Serviërs in verzet, maar telkens zonder succes. 

 

Geschikt geachte jongemannen werden vaak als bloedbelasting geronseld, soms ontvoerd en bij eliteregimenten ingelijfd. De Turken dwongen de bevolking niet om tot de islam over te gaan, maar bekeerlingen kregen privileges waaronder lagere belastingaanslagen, de verwerving van grond en de mogelijkheid tot het vervullen van lucratieve ambtelijke functies. Christenen mochten hun eigen godsdienst blijven beoefenen De islamisering had tot gevolg dat vooral in de steden kerken vernietigd of omgevormd werden tot moskeeën. Met name de Albanese bevolking was geporteerd voor een bekering maar ook delen van de Servische bevolking besloten daartoe, zoals in de landstreek van Novi Pazar. Voor veel Bogomielen die als ketters steeds waren vervolgd, was het Turkse gezag een bevrijding die hen ertoe bracht tot de islam over te gaan. 



ottomaanse rijk in verval


De Servische gebieden bleven onrustig door het verzwakkende Ottomaanse gezag. Opstanden braken uit en om het al gegeven autonome Servische gebied beperkt te houden werd in 1864 het district Kosovo als aparte bestuurlijke ingericht. Na de Russisch-Turkse Oorlog werd Servië in 1878 een onafhankelijke staat en vier jaar later een soeverein koninkrijk. Het Ottomaanse oppergezag gaf de Albanezen grotere autonomie in ruil voor hun trouw aan het Ottomaanse Rijk en hun medewerking aan het blokkeren van een verdere Servische expansie. In 1910 brak opnieuw een Albanese opstand uit in Pristina; doel was een onafhankelijke Albanese staat. Serviërs maakten toen echter nog een kwart uit van de bevolking van Kosovo en verzetten zich tegen de opneming van Kosovo in een nationaal Albanië. In de twee Balkanoorlogen van 1912 en 1913 annexeerde Servië dan toch Kosovo en het noorden van Macedonië, landstreken waar slechts een deel van de bevolking Servisch-gezind was en die daarom separatistisch zouden blijven. Om de sterke demografische groei van de Albanezen het hoofd te kunnen bieden middels een Servische meerderheid en het Servisch gezag te kunnen consolideren vonden na de vestiging van het Servisch gezag etnische zuiveringen van Albanezen en Turken plaats en werden Servische boeren als kolonisten naar inmiddels onteigend grootgrondbezit gestuurd. Dat bracht het Servische bevolkingsaandeel in Kosovo tot 40%.


Balkanoorlogen t/m WWII


Tijdens de Balkanoorlogen werden Kosovo en Albanië in 1912 veroverd door Servië en werd het westelijke deel van Kosovo veroverd door Montenegro. Na onderhandelingen met Turkije werd afgesproken de Albanezen te laten emigreren naar Turkije, wat echter weinig succes had. In hetzelfde jaar verklaarde Albanië zich onafhankelijk van het Ottomaanse rijk. Kosovo werd echter gezien als een integraal onderdeel van Servië en verkreeg geen onafhankelijkheid. Toen Duitse en Bulgaarse troepen Servië in de winter van 1915-1916 veroverden, leidde dat tot een grote exodus van Servische burgers en het Servische leger uit Kosovo. Honderdduizenden Servische soldaten stierven door honger, extreem weer en Albanese vergeldingsaanvallen, toen ze zich terugtrokken en zich bij de geallieerde Britse en Franse troepen voegden, die waren geland op Corfu en bij Thessaloníki, Griekenland. Na WWI was Kosovo samen met al de andere ministaten samengesmolten als het Koninkrijk “Joegoslavië”. Een bonte verzameling van verschillende politieke, economische, culturele en religieuze achtergronden. In het laatste decennium van het Interbellum moedigde de overwegend Servische regering de Serviërs aan zich in Kosovo te vestigen om het aantal Serviërs te doen vergroten in dit deel. 

 

De Italianen van Mussolini hadden via Albanië ook Kosovo bezet en geannexeerd. Aangezien Albanië sinds de val van koning Zog een personele unie met Italië en Abessinië vormde, betekende iedere uitbreiding van Albanië een uitbreiding van Italië. Dit land had dus alle belang bij een Albanese dominantie, en trachtte dit derhalve te bewerkstelligen door Albanezen aan te moedigen zich in het gebied te vestigen, en Serviërs te verjagen. In april 1941 vielen de troepen van Hitler het verdeelde Joegoslavië binnen omdat het een coup had gepleegd en een brits gezinde koning op de troon gezet. Reden voor nazi Duitsland Joegoslavië onder de voet te lopen. Toen Italië zich uit de oorlog terugtrok namen de nazi’s Kosovo in. In Oktober 1944 werd Kosovo “bevrijd” door Albanese partizanen. 



tito


In 1945 zou Tito met zijn communistische partizanenleger als overwinnaar uit de strijd. Hij maakte van Joegoslavië een bondsstaat, met gelijke rechten voor alle deelstaten, wat hem voor alle partijen aanvaardbaar maakte. Als president voor het leven voerde Tito een dictatoriaal bewind, dat hem in staat stelde zowel democraten als nationalisten voor tientallen jaren de mond te snoeren. Tijdens de staatshervorming in 1974 werd Kosovo (net als Vojvodina) een autonome provincie binnen de republiek Servië, waarmee Kosovo feitelijk evenveel zeggenschap verkreeg als een republiek (eigen parlement, regering en rechtbank). Onder Tito's heerschappij werden de Albanezen met rust gelaten, hoewel na repressieve acties in 1974 en 1976 de Serviërs 75% van de belangrijke (overheids)functies bekleedden. De Albanezen vormden echter, gesteund door een hoog geboortecijfer, rond de 85% van de bevolking. De Servische minderheid woonde (en woont) hoofdzakelijk vrij geconcentreerd in het noorden, met een aantal verspreide gemeenschappen over de rest van Kosovo. Na de dood van Tito in 1980 leidden de onderhuidse etnische spanningen opnieuw tot gewelddadige confrontaties: zijn levenswerk viel uiteen en bleek geen lange toekomst te hebben. 

 

In 1986 kwamen de tegenstellingen in het voormalige Joegoslavië in een stroomversnelling terecht met de komst van Slobodan Milošević. Servische nationalisten en de Servisch-orthodoxe Kerk hamerden erop dat Kosovo de bakermat van de Servische beschaving was en dat Kosovo daarom nooit en te nimmer mocht worden prijsgegeven aan de Albanezen.


einde anatomie in 1989


In 1989 maakte Milošević een eind aan de autonomie van Kosovo. Het gebied kwam weer volledig onder Servisch bestuur. Honderdduizend Albanezen raakten hun werk kwijt en hun parlement werd naar huis gestuurd. De Albanese bevolking van Kosovo reageerde daarop door zich onder leiding van Ibrahim Rugova ondergronds te organiseren: ze stichtten een schaduwsamenleving die onafhankelijk was van de "bovengrondse" door de Serviërs geleide samenleving. De Albanese schaduwsamenleving in Kosovo kende een eigen regering en parlement, een universiteit, scholen, ziekenhuizen en zelfs een systeem van sociale zorg. Dit werd gefinancierd door middel van een eigen belastingstelsel en met behulp van Kosovaren die in het buitenland werkten. 

 

Intussen was er vanuit de internationale gemeenschap weinig aandacht voor de onderdrukking van Albanezen in Kosovo. Ondanks grote militaire inspanningen kon Servië namelijk niet beletten dat de - in sommige gevallen eeuwenoude - frustraties, angst- en haatgevoelens de Joegoslavische bondsstaat in de jaren negentig deden uiteenvallen. Slovenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Macedonië werden onafhankelijke staten. Servië en Montenegro vormden op hun beurt een nieuwe federatie, die officieel staatsgemeenschap Servië en Montenegro heette. 



de kosovo-oorlog


Milošević zag zijn positie in 1997 bedreigd worden door de oppositie. Economische misère door de internationale boycot en grootschalige corruptie en misdaad hadden de meeste Serviërs van hem vervreemd. Omdat het pacifisme in Kosovo niet had geholpen werd door het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK) opgericht met doel aanslagen plegen op Servische doelen. In februari 1998 antwoordde Belgrado op de terroristische aanvallen met een groot militair offensief. Servische militairen trokken Kosovo binnen; de Kosovo oorlog was een feit. Het Servische offensief richtte zich niet alleen op de uitschakeling van het UÇK; ook de burgerbevolking moest het ontgelden. De Serviërs werden al snel beschuldigd van etnische zuivering en de internationale gemeenschap greep in. Zo’n 850.000 Albanese Kosovaren waren het land inmiddels ontvlucht. Nadat gepoogd was Milosevic met diplomatie wegen op andere gedachten te brengen werden luchtaanvallen door de NATO uitgevoerd op doelen in o.a. Kosovo en Servië. In Juni 1998 tekende Milosevic voor de terugtrekking uit Kosovo. 

 

Sindsdien staat Kosovo onder bestuur van de Verenigde Naties die daartoe de missie UNMIK (United Nation Interim Administration Mission in Kosovo) hebben opgericht. Een NAVO-vredesmacht met de naam KFOR (Kosovo Force) houdt toezicht op de openbare orde. De Albanezen zijn naar hun huizen teruggekeerd en trachten hun leven weer op te bouwen. De Serviërs zijn op hun beurt gevlucht naar Noord-Kosovo (met name rond Mitrovicë), waar de Serviërs nog een meerderheid vormen en naar het eigenlijke Servië. Het Kosovaarse parlement zorgt in overleg met UNMIK voor wetgeving die op sommige gebieden (met name op het gebied van het strafrecht) de Servische wetgeving volledig heeft vervangen.


onafhankelijkheid


De definitieve eenzijdige onafhankelijkheids-verklaring werd unaniem, op voorstel van premier Hashim Thaçi, op zondag 17 februari 2008 om 16.00 uur, uitgeroepen door het Kosovaarse parlement, dat in spoedzitting bijeengeroepen was. Er waren tien afwezigen, inclusief de afgevaardigden van de Serviërs uit Kosovo. Terwijl men feest vierde in Kosovo, waren er al direct enkele rellen. In de noordelijke stad Mitrovicë werd een handgranaat gegooid naar een gebouw van de Verenigde Naties en een niet-ontplofte handgranaat naar een hotel dat ambtenaren uit de Europese Unie huisvest. Servië weigert verdere samenwerking met Kosovo en wil zijn relaties met landen, die de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen, opnieuw beoordelen. Ongeveer de helft van de internationale gemeenschap heeft Kosovo erkend, waaronder België, Nederland en de Verenigde Staten. De meerderheid van de 28 EU-landen erkent Kosovo. Doordat Rusland en China, twee permanente leden van de VN-veiligheidsraad, Kosovo niet wensen te erkennen is een lidmaatschap voor Kosovo van de Verenigde Naties nog niet aan de orde.



vallen en opstaan


In Februari 2013 hebben de presidenten van Servië en Kosovo (Atifeta Jahjaga) een verdrag gesloten m.b.t. betere samenwerking. Deze had vooral betrekking op het noorden van Kosovo waar betrekkelijk veel Serviërs wonen. De Servische leiders in Noord-Kosovo hebben het akkoord onmiddellijk afgewezen. Zij willen onder geen voorwaarde onder Albanees bestuur vallen. In Brussel is afgesproken dat het leger van Kosovo het noorden niet mag binnentrekken. Het leger van Kosovo bestaat grotendeels uit leden van het voormalige Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK). De Servische president Tomislav Nikolic kreeg direct honderden vaak telefonische doodsbedreigingen. Aangezien Servië een knieval heeft gemaakt met het (gedeeltelijk) erkennen van Kosovo als onafhankelijk land heeft de EU in Juni ingestemd met toetredingsgesprekken van het land.

 

In Januari 2014 heeft de Servische oud-politiegeneraal “Vlastimir Djordjevic” in hoger beroep 18 jaar cel gekregen van het Joegoslavië tribunaal voor zijn rol bij massale moorden en deportaties van etnische Albanezen tijdens de Kosovo oorlog. In April wordt er weer een massagraf ontdekt nabij het Kosovaarse dorp  “Rudnica” met daarin minstens 250 etnische Albanese slachtoffers.  Internationale vredestroepen vermoeden dat de Serviërs de daadwerkelijke plek verborgen houden. Honderden lichamen van slachtoffers werden naar Servië gebracht en daar begraven of verborgen om bewijsmateriaal van gruweldaden aan het oog te onttrekken.

 

 

In April 2014 heeft het parlement van Kosovo de weg vrijgemaakt voor een door de Europese Unie gesteund tribunaal dat zich zal richten op oorlogsmisdaden die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog zijn gepleegd. Het gerecht zal zich bezighouden met misdaden die door etnisch-Albanese rebellen werden gepleegd, en die gericht waren tegen Servië. Na jaren van diplomatieke druk vanuit Brussel en Washington gaat Kosovo nu eindelijk akkoord met een staatsonderzoek naar burgerdoden die mogelijk slachtoffer zijn geworden van de rebellen. De onafhankelijkheid van Kosovo kwam tot stand met hulp van het Westen. Maar sinds dat historische moment kneep de etnisch-Albanese bevolking een oogje dicht waar het misdaden door voormalige rebellen betrof. Kosovo krijgt na z’n eigen veiligheidstroepen (die onder de vlag van de NAVO opereren) nu z’n eigen leger. 


heden


In November 2014 heeft de premier en de belangrijkste oppositieleider in Kosovo overeenstemming bereikt over de vorming van een brede coalitieregering.  De verkiezingen in juni werden gewonnen door de Democratische Partij van premier Hashim Thaci. Maar de partij behaalde geen absolute meerderheid en geen van de andere partijen wilde met Thaci samenwerken, vanwege beschuldigingen over corruptie en een internationaal onderzoek naar orgaanhandel waarbij Thaci betrokken zou zijn. Het nieuwe parlement zal eerst een begroting moeten goedkeuren. Daarna komt naar verwachting een wetsvoorstel aan de orde voor de oprichting van een speciaal door de Europese Unie geleid tribunaal dat Thaci en zijn vroegere oorlogskameraden mogelijk aanklaagt voor het 'oogsten' van organen van gevangen Servische burgers. Thaci voerde in de afscheidingsoorlog van 1998-99 tegen Servië het Bevrijdingsleger van Kosovo (UCK) aan.

 

 

In de zomer van 2017 wint een een coalitie geleid door de centrum-rechtse partij Democratische Partij Kosovo (PDK) de parlementsverkiezingen gewonnen.  De Democratische Liga Kosovo (LDK) haalde volgens de exitpolls bijna 26 procent van de stemmen, net als de Zelfbeschikkingspartij. Om tot een stabiele regering te komen, zal de PDK een coalitiepartner moeten vinden. Het is inmiddels de derde keer dat er verkiezingen gehouden worden sinds Kosovo zich in 2008 onafhankelijk verklaarde van Servië. Twee oppositiepartijen (de linkse nationalistische partij Vetëvendosje en de Lidhja Demokratike e Kosovës (LDK)) hebben in Oktober 2019 de verkiezingen gewonnen. De rechts-conservatieve regeringspartij PDK blijft op 21 procent steken en heeft de nederlaag erkend. De AAK van de vertrokken premier Ramush Haradinaj kreeg slechts 12 procent van de stemmen. Deze uitslag werd overigens al verwacht. In het land bestaat veel onvrede over de koers van de voormalige premier Haradinaj. De belangrijkste thema's waren de aanpak van de grootschalige corruptie in het land en een vredesdeal met buurland Servië, wat de weg zou vrijmaken voor een lidmaatschap van de VN. Vjosa Osmani is de nieuwe president van Kosovo. Ze werd in April 2021 in Pristina door het parlement gekozen als staatshoofd op voorstel van regeringspartij Vetëvendosje van premier Albin Kurti. Osmani volgt Hashim Thaçi op, die zijn taken begin november neerlegde omdat het Kosovotribunaal in Den Haag hem gaat vervolgen voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De voormalig president van Kosovo ontkent de aanklachten en zegt dat hij niets te verbergen heeft. Hij liet al eerder weten volledige medewerking te verlenen aan het tribunaal. Ook Kadri Veseli, de huidige leider van de Kosovaarse Democratische Partij, is aangeklaagd door het Kosovotribunaal.


zie ook: