Achtergrondinformatie - Rusland

"Russische revolutie"


De Russische Revolutie was een grootschalige omwenteling in het Russische Rijk tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw. In zekere zin was sprake van een reeks van revoluties. Deze hadden de verdwijning van het tsaristische regime en de oprichting van de Sovjet-Unie, de eerste communistische staat ter wereld, tot gevolg. Bij de Februarirevolutie in 1917 werd de tsaar afgezet en vervangen door een voorlopige regering. Bij een volgende omwenteling, de Oktoberrevolutie, werd de voorlopige regering vervangen door een bolsjewistische (communistische) regering. Hierna brak er een burgeroorlog uit tussen de "Roden" (bolsjewieken/communisten) en de "Witten" (mensjewieken en Russische adel), die meerdere jaren duurde. Uiteindelijk wonnen de bolsjewieken. Op deze manier had de revolutie de weg vrijgemaakt voor de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR). De Russische Revolutie was een van de allerbelangrijkste, meest ingrijpende gebeurtenissen van de twintigste eeuw. De revolutionairen streefden naar een totale herstructurering van maatschappij en economie. Het was hun bedoeling een wereldrevolutie tot stand te brengen.


voorgeschiedenis


Het Russische Rijk was aan het einde van de negentiende eeuw een van de weinige landen in Europa waar de macht van de vorst vrijwel onbeperkt was. Sinds 1613, was het rijk in alle windrichtingen uitgebreid en was het qua omvang de vijfde economie ter wereld. Ruim driekwart van de bevolking was boer en de landbouw was de belangrijkste sector van de economie. In dit opzicht leek het Russische Rijk meer op een Aziatisch dan op een Europees land. De politieke en sociale structuur van Rusland verschilde fundamenteel van West-Europese staten. De bureaucratie was zeer machtig, de sociale mobiliteit gering. Het rijk probeerde een leidende rol te spelen in de internationale politiek; het was een van de grote mogendheden. Om internationaal bij te blijven was modernisering van de economie noodzakelijk; die was dan ook relatief modern en dynamisch. In de praktijk beperkte ook de uitgestrektheid van het rijk de macht van de tsaren. Veel beslissingen werden feitelijk genomen door de bureaucratie. In veel opzichten leek Rusland een kolonie. De elite en de boeren waren verregaand van elkaar vervreemd. De elite was sterk verwesterd en stond onder invloed van westerse ideeën. De boerenmassa was het oude Rusland trouw gebleven. De boeren betaalden belasting en dienden in het leger, maar zagen de staat als een vijandige macht. Idealistische leden van de intelligentsia, veelal afkomstig uit de middenklasse, hoopten het leven van de boeren te verbeteren. Tegelijkertijd idealiseerden zij het boerenleven. Deze 'populisten' moesten hun activiteiten in het geheim ontplooien. De autoriteiten bezagen hen met groot wantrouwen. Velen van hen werden naar Siberië verbannen.

 

Toen tsaar Alexander II de regels in Rusland iets versoepelde - hij wilde Rusland een grondwet geven - kwamen er meteen verzetsgroepen die zich tegen het beleid van de tsaar verzetten. De opvolger van Alexander II, tsaar Alexander III, sloeg deze groepen met grof geweld neer. Vele opstandelingen werden naar Siberië getransporteerd. Veel latere communisten zaten in Siberië vast, onder wie Lenin, Stalin en Trotski. Alexander III overleed in 1894 en werd opgevolgd door zijn zoon, Nicolaas II. Nicolaas was een gelovig man, in zichzelf gekeerd en ervan overtuigd dat hij net als alle andere tsaren de door God aangewezen autocraat van Rusland was, en dat hij daardoor niemand verantwoording schuldig was. Toen de revolutionairen vrijkwamen, was er nog steeds staatsterreur in Rusland. Het verzet moest dus in het geheim worden opgebouwd. De Ochrana, de geheime politie, hield iedereen scherp in de gaten. Er ontstonden politieke partijen, die, hoewel ze vaak een semi-illegaal bestaan leidden, toch groeiden. In 1898 ontstond de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, die uiteenviel in de mensjewieken en de bolsjewieken. In 1901 ontstond de Sociaal-Revolutionaire Partij, die door de regering het meest gevreesd was vanwege haar groot aantal leden, de aanslagen die zij pleegde en de boerenopstanden die zij aanmoedigde. In 1905 ontstond de partij van de Constitutionele Democraten (ook bekend als de kadetten). Deze partij was in tegenstelling tot de andere gematigd. Ze wilden een democratische staat met een grondwet, een parlement en algemeen kiesrecht. Als dit niet stap voor stap te bereiken was, waren ze wel bereid tot een revolutie.


1905: de eerste revolutie


In 1905 kwam de eerste stap voorwaarts naar democratische hervormingen. De tsaristische regering leed een grote nederlaag tegen de Japanners in de Russisch-Japanse Oorlog. Daarbij heerste al langere tijd onrust in het land, doordat tsaar Nicolaas II besluiteloos was. Een belangrijke datum is zondag 9 januari 1905, een dag die bekend is komen te staan als “Bloedige Zondag”. Deelnemers aan een vreedzame protestmars wilden de tsaar een manifest overhandigen waarin democratische hervormingen werden geëist, maar meer dan honderd deelnemers werden neergeschoten door de politie. Uiteindelijk werden de protesten onderdrukt, maar de tsaar beloofde met het 'Oktobermanifest' hervormingen. Zo kreeg Rusland zijn eerste parlement. Volgens het manifest moesten nieuwe wetten door dit parlement bekrachtigd worden. De tsaar behield echter het recht de Doema, het parlement, op elk gewenst moment te ontbinden. Het inwilligen van de eis tot oprichting van een parlement was een belangrijke stap. Aan de eeuwenoude autocratie was een eind gekomen. Het Russische Rijk had zich in de richting van een parlementaire monarchie kunnen ontwikkelen. Dat is niet gebeurd. De voornaamste oorzaak daarvan is dat noch de monarchie, noch de revolutionairen bereid waren deze uitkomst te accepteren. De tsaar wilde de oude situatie herstellen, de revolutionairen wilden de monarchie afschaffen. De entourage van de tsaar leek zelfs niet in staat onder ogen te zien wat de consequenties waren van het Oktobermanifest. In april 1906 werd voor het eerst in Ruslands geschiedenis een grondwet uitgevaardigd; maar die mocht geen 'grondwet' genoemd worden. Op 27 april 1906 vond de eerste bijeenkomst van de Doema plaats. Al tijdens de openingsceremonie bleek dat de betrokken partijen nauwelijks bereid waren om de kloof tussen monarchie en volk te overbruggen. Nicolaas II had geweigerd naar de Doema toe te gaan, maar ontving de parlementsleden in het Winterpaleis.


begin eerste wereldoorlog


Grote gevolgen had de beslissing van de regering om in 1914 deel te nemen aan de Eerste Wereldoorlog. Dit besluit werd aanvankelijk met groot enthousiasme begroet. Naderhand zou blijken dat de elite rond de tsaar,

door mee te vechten in de Eerste Wereldoorlog, een groot risico had genomen. De vraag is vaak gesteld waarom de regering besloot deel te nemen aan de Eerste Wereldoorlog. Volgens de Russische historiografie hadden buitenlandse machten, met name Frankrijk en Groot-Brittannië, grote invloed op de Russische buitenlandse politiek. Historici met socialistische sympathieën wijzen erop dat Rusland grote sommen geld van hen geleend had. Spoedig kwamen de innerlijke zwakte en de gebrekkige organisatie van het regime aan het licht. Het Russische leger behaalde tijdens de oorlog meer nederlagen dan successen; het Duitse leger was duidelijk superieur. Vooral tijdens het eerste oorlogsjaar was er in het leger groot gebrek aan munitie en geweren. In de zomer van 1915 leek het erop dat de Duitse legers het Russische front zouden doorbreken. Polen werd door de Duitsers bezet. De economie en het politieke systeem bleken niet bestand tegen de beproevingen van een moderne oorlog. In 1916 wist het leger zich te herstellen en werd gepoogd het verloren terrein te herwinnen. Het volk begon echter zijn geduld te verliezen, hoofdzakelijk als gevolg van voedseltekorten en de hoge inflatie. De regering deed nauwelijks iets om deze problemen te bestrijden. Er werd naar een verklaring gezocht voor het teleurstellend verloop van de krijgsverrichtingen. De wildste geruchten over 'verraad' in regeringskringen deden de ronde.


februari revolutie


Op twee betrekkelijk zachte winters gedurende de eerste oorlogsjaren volgde in 1916/17 een zeer strenge winter. De gemiddelde temperatuur lag in Petrograd meer dan tien graden onder het vriespunt. Ten gevolge van sneeuwstormen was een deel van het spoorwegnet onbruikbaar. Het materieel was in de oorlogsjaren verwaarloosd; een kwart ervan was niet te gebruiken. Wegens de extreme kou weigerden boerenvrouwen hun dagelijks werk, het vervoeren van voedsel per handkar, te verrichten. In februari 1917 braken er voedselrellen uit in Petrograd, die leidden tot de Februarirevolutie. Doordat het militair garnizoen ter plaatse de kant koos van de hongerende menigte sloegen de voedselrellen om in politieke rellen, gericht tegen het regime van de tsaar. Van doorslaggevende invloed was het feit dat vele duizenden voor de oorlog gemobiliseerde soldaten aan het muiten sloegen. In de chaos namen leden van het parlement de macht van het land over en vormden een voorlopige regering. De legerleiding vond dat ze niet de middelen had om de revolutie te onderdrukken; tsaar Nicolaas II, de laatste tsaar van Rusland, deed op 2 maart 1917 afstand van de troon. De sovjets (arbeidersraden), die werden geleid door radicalere socialistische groeperingen, gaven eerst toestemming aan de voorlopige regering om te regeren.

 

Er volgde een periode waarin de macht zowel door de voorlopige regering als door de arbeidersraden, de sovjets, opgeëist werd. Tijdens deze chaotische periode waren er regelmatig muiterijen en vele stakingen. Toen de voorlopige regering koos om verder te vechten in de oorlog met Duitsland, voerden de bolsjewieken en andere socialistische partijen campagne voor stopzetting van de oorlog. Lenin streefde er van het begin af aan naar om de voorlopige regering ten val te brengen. Hij hoopte dit te bereiken door grootschalige demonstraties te organiseren in de straten van Petrograd, waardoor de druk op de voorlopige regering steeds meer werd opgevoerd. Deze strategie bleek niet succesvol. In juli 1917 werd de Bolsjewistische Partij bijna uitgeschakeld. Lenin vluchtte naar Finland; Trotski nam vervolgens de leiding ove en koos nadrukkelijk voor een andere strategie.


1917 - oktober revolutie


Tijdens de Oktoberrevolutie wierp de Bolsjewistische Partij, onder leiding van Vladimir Lenin, de voorlopige regering omver. De bolsjewieken benoemden zichzelf tot leiders van de verschillende ministeries en namen de leiding van het land over. De Oktoberrevolutie was feitelijk geen revolutie, veel meer was sprake van een staatsgreep. Het was een kleine, hecht georganiseerde minderheid die in oktober 1917 de macht greep. Dat de bolsjewieken erin slaagden de macht te grijpen was voor een groot deel het werk van Trotski. Lenin moest zich aan het eind van de zomer van 1917 schuilhouden. Hoewel Trotski pas enkele maanden lid was van de partij der bolsjewieken, was hij daarbinnen zeer invloedrijk. Trotski deed alsof het de bedoeling was dat de sovjets het land gingen regeren. In de nacht van 25 op 26 oktober 1917 begon de opstand van de bolsjewieken, die de geschiedenis inging als de Oktoberrevolutie. Volgens de later beroemd geworden Sovjetlegende ving dit aan met een schot van de pantserkruiser "Aurora" op het paleis van de tsaar.

 

Opstandige troepen bezetten strategische plaatsen in Petrograd, alsmede het Winterpaleis van de tsaar. In de nacht van 26 oktober capituleerde de voorlopige regering en werd er een nieuwe regering benoemd door het congres der Sovjets. Deze nieuwe regering zou verantwoording moeten afleggen aan het Centraal Uitvoerend Comité. Het was de bedoeling dat de nieuwe regering af zou treden nadat een wetgevende vergadering was gekozen. De voorzitter van deze nieuwe regering, de Raad van Volkscommissarissen, werd Lenin. De bolsjewieken streefden doelbewust een machtsmonopolie na. In korte tijd werden vrijwel alle rivaliserende partijen en organisaties uitgeschakeld. Lenin was het liefst alleen leider van de Bolsjewistische Partij gebleven. Sommige bolsjewieken meenden dat hij probeerde zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. Regering en partij bleven twee gescheiden organisaties, maar de leiders ervan waren de facto dezelfde personen. Aldus ontstond een nieuw politiek model: de eenpartijstaat.


De burgeroorlog, derde Revolutie en onder Lenin (1918 – 1924)


Als een van de weinigen zag Lenin in dat beëindiging van de oorlog met Duitsland noodzakelijk was om aan de macht te kunnen blijven. Voor hem had het sluiten van een wapenstilstand of vrede daarom hoge prioriteit. Duitsland stelde hoge eisen, die voor velen onaanvaardbaar waren. Om de oorlog te beëindigen ondertekenden de bolsjewistische leiders in maart 1918 de Vrede van Brest-Litovsk met Duitsland, maar pas na drie jaar burgeroorlog was het regime van de bolsjewieken stevig gegrondvest. Het vredesverdrag met de Duitsers was zwaar; Rusland verloor een enorm stuk grondgebied, bevolking en industrie leed en enorme contributie moest betalen aan het al verliezende Duitsland en bewerkstelligde zodoende het einde van de Russische deelname aan de Eerste Wereldoorlog). De derde Russische Revolutie, ook wel 'Russische Revolutie van 1918' of 'julirevolutie van 1918' genoemd, werd gevormd door een aantal anarchistische opstanden en revoltes tegen zowel de bolsjewieken als de 'witten'. De revolutie begon op 6 juli 1918 en duurde voort tot 30 december 1922, al vonden de meeste gewelddadigheden plaats in de eerste maand na de revolutie. De revolutie brak uit tijdens het Vijfde Pan-Russische Congres der Sovjets, waar anarchisten en links-socialistische revolutionairen van een overweldigende meerderheid van de gedelegeerden geen steun kregen en daarop het Verdrag van Brest-Litovsk probeerden te saboteren en daarmee Bolsjewistisch Rusland mee te slepen in een oorlog met Duitsland, door de Duitse ambassadeur graaf Wilhelm Mirbach te vermoorden in Moskou en daarop de revolutie te starten. Onderdelen van de revolutie vormden de Kronstadtopstand, de Tambov-opstand en de Arbeidersoppositie. Opstanden braken uit in vele steden, waaronder Petrograd.

 

De gewelddadigheden vormden de opmaat voor de Russische Burgeroorlog; daarbij stond het Rode Leger van bolsjewieken en communisten tegenover het Witte van anticommunisten (meest voormalige tsaristische officieren), het Zwarte Leger van Oekraïense anarchisten en de Zwarte Garde van anarchisten. De burgeroorlog werd hoofdzakelijk in 1919 uitgevochten. In november van dat jaar leden de Witten enkele nederlagen die naderhand beslissend bleken. De oorlog werd in 1921 definitief beslecht in het voordeel van het Rode Leger.


nasleep


De bolsjewieken verwachtten, evenals vele andere linkse groeperingen, dat er op korte termijn een 'wereldrevolutie' zou uitbreken. Hun buitenlandse politiek was er hoofdzakelijk op gericht deze 'wereldrevolutie' naderbij te brengen. Van deze verwachtingen kwam zo goed als niets terecht. Dit leidde op termijn tot een verschuiving in het buitenlands beleid. Meer en meer werd aan de belangen van de Sovjet-Unie, de enige communistische staat ter wereld, prioriteit gegeven. Aanvankelijk werd het belang van de revolutie onderschat. Rusland behoorde tot de periferie van Europa. Het destructieve karakter van de omwenteling leek in vergelijking met de verwoestingen die de Eerste Wereldoorlog had aangericht nog mee te vallen. Tijdens de decennia na de revolutie zou blijken dat de impact van de Russische Revolutie op wereldschaal groter was dan die van de Franse Revolutie. Hoe dan ook waren de gevolgen van deze revolutie op de geschiedenis van de twintigste eeuw enorm. Dertig tot veertig jaar na de gebeurtenissen leefde een derde van de mensheid onder dictatoriale regimes die een afspiegeling waren van het bewind van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. Het aantal mensen dat (mede) ten gevolge van de revolutie stierf, loopt in de miljoenen. De meeste mensen stierven door honger en ziekten. Tijdens de burgeroorlog kwamen meer dan een miljoen mensen om. Zowel de terreur van de Witten als die van de Roden maakte vele slachtoffers. Al voor de omwenteling in 1917 waren er vele slachtoffers gevallen als gevolg van aanslagen door revolutionairen en de staatsterreur van de tsaren. Er vonden in deze jaren ook meerdere pogroms plaats zowel op Joden als niet-Joden.


zie ook: