Oost-Pruisen offensief (ww2)

Achtergrondinformatie - Rusland


aanvalsplannen oost-pruisen


In WW2 diende Oost-Pruisen als uitvalsbasis voor de invasie van de Sovjet-Unie. Later in de oorlog bleef de provincie belangrijk als voorpost van de oorlog in het oosten.

 

De Oost-Pruisische hoofdstad Koningsbergen bleef jaren gespaard tot aan de bombardementen in augustus 1944, toen de stad zwaar verwoest werd. 200.000 burgers werden dakloos en voor de slag om Koningsbergen bevonden er zich nog zo'n 130.000 burgers in de stad.

 

Door de moeilijke bereikbaarheid voor de geallieerde luchtmacht werd de provincie ook een toevluchtsoord voor enkele tienduizenden Duitsers die hun huizen hadden  erloren in de massale bombardementen op de westelijker steden, en voor de nazi-autoriteiten die in Berlijn steeds meer bedreigd werden. In de laatste fase van de oorlog en de naderende val van het Derde Rijk riep Hitler de stad Koningsbergen uit tot vesting.

 

In de nasleep van het Memeloffensief had het 3e Wit-Russische front een poging gedaan om Oost-Pruisen binnen te dringen in oktober 1944 (Goldap-Gumbinnen operatie), maar was na hevige gevechten bij Goldap teruggedreven. Sindsdien had het Rode Leger geen nieuwe poging ondernomen. Een klein stukje van Oost Pruisen zou bezet blijven door de Russen.

 

Het Russische leger nam posities in van de Oostzeekust tot aan de Narew. Generaal Tsjernjachovksi beschikte over 708 600 soldaten en 839 tanks.


duitse verdediging


De Duitsers maakten gebruik van deze luwte in de gevechten om hun verdediging verder te versterken. Er werden mijnenvelden gelegd, tankgrachten gegraven en nieuwe bunkers aangelegd. Generaal Georg-Hans Reinhardt maakte gebruik van de verdedigingstactieken, die de Sovjets bij Koersk hadden gebruikt.

 

De mijnenvelden en tankgrachten moesten de aanvallende tanks in de richting van de gevreesde 88-mm antitankkanonnen leiden. De talloze bossen en moerassen van Oost-Pruisen zorgden voor een natuurlijke verdediging.

 

Adolf Hitler was er van overtuig dat de belangrijkste aanval in Oost-Pruisen zou plaatsvinden en daarom werd Heeresgruppe Mitte versterkt met het Parachutisten Pantser Korps Hermann Göring en pantserkorps “Grossdeutschland”.

 

Eind oktober 1944 begon Stavka aan de planning van de winterveldtocht van het Rode leger. Het 3e Wit-Russische front kreeg de taak om de Heeresgruppe Mitte frontaal aan te vallen en te verdrijven uit het zwaar verdedigde Oost-Pruisen. Hiervoor kregen ze de hulp van het 1e Baltische Front. Het 2e Wit-Russische front o.l.v. Maarschalk K.K.Rokossovski moest de rechterflank van het 1e Wit-Russische front beschermen en oprukken langs de benedenloop van de Weichsel.

 

Ze moesten de loop van de rivier volgen tot aan de monding bij Danzig. Als ze de havenstad bereikten, dan zouden de Duitse strijdkrachten in Oost-Pruisen van de rest van Duitsland worden afgesneden. Het 3e Wit-Russische front en het 1e Baltische Front zouden daarna de omsingelde Duitse eenheden vernietigen.


>> Lees ook het Pommeren offensief dat volgde 



Nemmersdorf en Metgethen slachting:

Het Russische leger zou op 21 Oktober een  bruggenhoofd vormen over de rivier de Angerapp rivier en het dorp “Nemmersdorf” (nu Mayakovskoye) innemen.

 

Het was een van de vooroorlogse etnische Duitse steden die in Russische handen viel. Duitse troepen probeerden het dorp en het bruggenhoofd ongedaan te maken en vielen o.a. met vliegtuigen aan. Russische soldaten zouden zich schuil houden in een kelder waar al meerdere Duitse burgers in aanwezig waren. 

 

Soldaten van het Rode Leger zouden de mensen naar buiten hebben gestuurd en daarna hebben afgeschoten. In de nacht zouden de Russen zich terugtrekken over de brug waarop de volgende dag de slachting aan het licht zou komen. De nazi’s o.l.v. propaganda leider Joseph Goebbels zouden de volgende dag de slachting waarbij alle Duitse vrouwen eerst verkracht zouden zijn via verschillende media (en internationale) media naar buiten.

 

Ook zouden verschillende Belgische en Franse krijgsgevangenen gedood zijn. Getuigenissen na de oorlog zouden volgen van verschillende bronnen over tientallen doden en talloze vrouwen die eerst verkracht zouden zijn waarna ze naakt vastgenageld zouden zijn aan schuurdeuren. Baby’s hoofden zouden ingetrapt zijn.

 

De gevolgen toentertijd zouden vele aanmeldingen zijn voor de Duitse Volkssturm en een aanwas van vluchtelingen.

 

Nemmersdorf zou uitgroeien als een symbool van Russische agressie t.o.v. onschuldige Duitse burgers tijdens en na WWII. Na de val van de Muur en de Sovjet Unie nieuw bewijs zou zich aandienen. Zo zou de sterke verdediging voor het dorp door de nazi’s zelf vernield zijn en zou Goebbels de aantijgingen dik hebben gemaakt voor propaganda.

 

De kruisigingsbeelden op ieder’s netvlies gebrand zouden niet ‘ns in het dorp gemaakt zijn.

 

Metgethen slachting:

Gedurende de slag om Konigsberg naderden Russische troepen vanaf het noorden de stad. Op 30 Januari werd het stadje “Metgethen” tijdens dit proces opgeslokt. Duitse troepen heroverde de vitale weg en rails tussen de Baltische Zee (Pillau) en Konigsbergen op 19 Februari.

 

Na de herovering zouden de Duitse media zo’n 36 onschuldige burgerslachtoffers melden vermoord door de Sovjets.


>> Lees over de Duitse slachting in Lidice, Tsjechië. 


het Russische offensief


Op 13 januari lanceerde het 3e Wit-Russische front zijn aanval. Het tactische plan van generaal Tsjernjachovksi was eigenlijk niets meer dan een frontale aanval van vier legers op de Duitse verdediging. Vanaf de eerste dag kreeg het Sovjet-offensief problemen. Bij de eerste beschietingen had generaal Raus zijn troepen uit de eerste stellingen teruggetrokken.

 

De Russische granaten vielen dus voornamelijk op lege stellingen. Zodra de beschietingen ophielden, namen de Duitsers terug hun posities in. In het noordelijke gedeelte van het front stond het Russische 39e leger en 43e leger (van het 1e Baltische front) voornamelijk tegenover slecht getrainde Volksturm-eenheden. Deze licht bewapende eenheden bezetten de sterke fortificaties van WW1, die langsheen de Memel waren opgetrokken. De verovering van deze bunkers en forten verliep echter erg langzaam, want de beide Sovjetlegers bestonden voornamelijk uit infanterie.

 

In het centrum probeerden het 5e en het 28e leger een doorbraak te forceren in de richting van Insterburg. Op de eerste dag maakten de Sovjets goede vorderingen, maar daarna stokte hun opmars. De typische Pruisische dorpjes, met hun bakstenen huizen en versterkte ommuringen, vormden uitstekende verdedigingsstellingen. De Duitsers lieten de Sovjet naderen en pas op het laatste moment openden ze het vuur. Ze schakelden eerst de tanks uit en daar was de begeleidende infanterie een gemakkelijke prooi.

 

Lege dorpen

De Sovjets konden hun artillerie niet inzetten, want dan zouden ze hun eigen troepen treffen. Wanneer ze zich hergroepeerden voor een nieuwe aanval, glipten de Duitse verdedigers onder dekking van de duisternis weg uit het dorp. Dankzij de plaatselijke Volksturm konden ze via kleine paden hun eigen linies terug bereiken. De Sovjets veroverden dan een leeg dorp en ze trokken verder naar westen.

 

De volgende nacht slopen de Duitsers terug naar het dorp en overvielen de Sovjet troepen. Hierdoor was er geen duidelijke frontlijn meer en de bevelhebbers van het 5e en 28e leger verloren het initiatief. Dorpen die waren veroverd, bleken enkele dagen later terug in handen te zijn van de Duitsers en dorpen waar hevig werd gevochten, bleken plots verlaten te zijn. Als er toch een doorbraak dreigde, dan zette generaal Raus zijn pantserkorps “Grossdeutschland” in.

 

In het gebied van het 2e Gardeleger bevonden zich minder dorpen, maar bestond het terrein uit bossen, meren en moerassen. Hier lagen de landgoederen van de Pruisische jonkers en deze vierkante herenboerderijen met hun hoge muren vormden geduchte verdedigingsstellingen.

 

Vanaf oktober 1944 waren de Duitsers in de weer geweest om dit gebied te versterken met tankgrachten en mijnenvelden. Ze waren zodanig aangelegd dat de aanvallers naar de sterkste verdedigingspunten werden geleid. Het 2e Gardeleger moest hevig vechten om elke meter grond. De Duitse verdediging was des te fanatieker omdat ze wisten dat met elke dag dat ze standhielden er meer burgers naar het westen konden ontsnappen.


>> Lees ook over de "bevrijding" van Letland in 1944



Vluchtelingen: 

Begin januari 1945 telde Oost-Pruisen ongeveer 2,4 miljoen inwoners. Hoewel er verschillende plannen voor de ontruiming van de provincie bestonden, weigerde de gauleider Erich Koch de burgers te evacueren. Hij gebruikte hen om verdedigingswerken aan te leggen en volgens hem zouden de soldaten van de Wehrmacht beter vechten als hun familieleden zich dicht achter de frontlijn bevonden. 

 

Pas op 20 januari 1945 gaf gauleider Koch toestemming, maar het was reeds te laat om de evacuatie op een ordelijke manier te laten verlopen.

 

Nadat de nazi-leiding zelf de wijk had genomen, werden door de dorpsgemeenschappen zelf karavanen van paarden en wagens georganiseerd. De Duitse overheid kon de toestroom van burgers niet aan. De opmars van het Rode leger veroorzaakte paniek.

 

De  verhalen over moord, plundering en verkrachting deden de ronde. Duizenden vluchtelingen trokken onder barre weersomstandigheden te voet naar het westen. Sneeuw, wind en temperaturen ver onder het vriespunt zorgden voor vele doden. Op 21 januari 1945 zette admiraal Dönitz operatie Hannibal in gang. Tijdens deze operatie organiseerde de Kriegsmarine de grootste maritieme evacuatie. Het doel was om zo veel mogelijk Duitsers uit handen van de Sovjets te redden.

 

Op 27 januari 1945 sneed het Rode Leger de laatste ontsnappingsroute over land af. De enige uitweg was nu over het bevroren Frische Haf naar de Frische Nehrung om van daaruit naar Danzig of Pillau verder te trekken. Russische jachtvliegtuigen bestookten voortdurend deze colonnes vluchtelingen. Ongeveer 300. 000 vluchtelingen kwamen om tijdens de oorlogsmaanden in 1945 en 800 000 burgers wisten Oost-Pruisen te ontvluchten.


terugtocht naar konigsbergen


Ondanks zijn protest kreeg generaal Raus op 15 januari 1945 het bevel om het pantserkorps “Grossdeutschland” naar het zuiden te sturen. Er was een doorbraak aan het Weichselfront en alle beschikbare reserves moesten worden ingezet.

 

Generaal Tsjernjachovksi besefte dat zijn aanval was vastgelopen en hij wierp zijn laatste reserve, het 11e Gardeleger, in de strijd tegen de verzwakte Duitse linkerflank. Op 18 januari 1945 sloeg dit leger een bres in de verdediging tussen de Inster en de Memel.

 

Generaal Raus had geen reserves meer om het gat te dichten en hij beval een terugtocht naar Koningsbergen.


Wilhelm Gustloff:

De Wilhelm Gustloff werd op 5 mei 1937 in aanwezigheid van Adolf Hitler te water gelaten als cruiseschip voor de nationaalsocialistische organisatie “Kraft durch Freude”. Tussen 1937 en 1939 was het voor dit doel in gebruik. Het schip was genoemd naar Wilhelm Gustloff, de vermoorde Duitse leider van de Zwitserse nazipartij.

 

In 1939 na het einde van de Spaanse Burgeroorlog voerde de Wilhelm Gustloff het Condorlegioen terug van Vigo in Spanje naar Hamburg in Duitsland. In 1939 en 1940 werd het vaartuig ingezet als hospitaalschip. Daarna diende het gedurende het grootste deel van WW2 als onderkomen voor U-boot bemanningen in de haven van Gotenhafen.

 

Onder dreiging van het oprukkende Rode Leger kreeg de Wilhelm Gustloff de taak om vluchtelingen en gewonde Duitse soldaten uit Oost-Pruisen te evacueren naar de Duitse havenstad Kiel. Het schip werd voor die opdracht uitgerust met luchtafweergeschut en het rode kruis op de schouw werd verwijderd. Op 30 januari 1945 vertrok het schip vanuit de haven van Gotenhafen.

 

Ondiep water

Militair commandant Wilhelm Zahn wilde de kans op een aanval door een onderzeeër verkleinen en adviseerde kapitein Friedrich Petersen om dicht bij de kust te blijven, in ondiep water, en geen navigatieverlichting te voeren. Petersen zette echter koers naar diep water, en liet de navigatieverlichting inschakelen toen bleek dat een Duits konvooi van mijnenvegers onderweg was. Diezelfde avond werd de Wilhelm Gustloff ontdekt door de sovjetonderzeeboot S-13, die het schip op 30 kilometer voor de Oostzeekust tussen Großendorf en Leba met drie torpedo's trof. De Wilhelm Gustloff zonk in minder dan een uur.

 

Als gevolg van de torpedo-explosies ontstond er paniek aan boord. Veel mensen kwamen terecht in het koude water van de Oostzee. Met een watertemperatuur van omstreeks 4°C en een luchttemperatuur van onder de -10°C waren de kansen op overleving gering. Slechts enkele reddingsboten werden met succes in het water neergelaten. Van de duizenden vluchtelingen en meer dan duizend soldaten en zeelieden aan boord overleefden er tussen 1000 en 1250 personen de ramp. Die werden door Duitse schepen opgepikt.

 

De meest recente en geaccepteerde schatting gaat uit van ruim 9000 slachtoffers. Daarmee is de ondergang van de Wilhelm Gustloff de grootste scheepsramp in de geschiedenis, in termen van slachtoffers afkomstig van één vaartuig. Deze locatie is een officieel oorlogsmonument en is verboden gebied voor duikers en scheepsbergers.


Generaal Tsjernjachovksi probeerde het 3e pantserleger onder druk te houden, maar zijn troepen waren te vermoeid. Hij had enkele dagen nodig om hen te hergroeperen en de verliezen aan te vullen. Van deze luwte in de gevechten profiteerde generaal Raus om zijn leger naar Koningsbergen terug te trekken. Hij hoopte dat zijn leger zou worden geëvacueerd, maar Hitler beval hem stand te houden.

 

Op 24 januari 1945 omsingelde het 3e Wit-Russische front Koningsbergen. Het 3e pantserleger en 200 000 vluchtelingen zaten vast in de stad. Een dag later werd ook Samland, met de havenstad Pillau omsingeld. Door de terugtocht was ook de positie van het 28e Korps in het omsingelde Memel niet langer houdbaar.

 

Ze werden op 27 januari 1945 over zee geëvacueerd naar Pillau. Het Russische offensief op Oost Pruisen (Insterburg – Konigsbergen) was maar een onderdeel van een veel groter Russische “Wisla-Oder” offensief. Het Russische 5e Garde-tankleger bereikte op 27 januari 1945 het Frische Haf, een groot standmeer voor de kust.

 

Oost-Pruisen was nu afgesneden van de rest van Duitsland en het grootste gedeelte van Heeresgruppe Mitte was omsingeld in drie enclaves, namelijk Heiligenbeil, Koningsbergen en Pillau.


>> Lees ook de slag om Berlijn



1. pocket heiligenbeil


Na de gevechten in Pommern keerde de aandacht van het Rode Leger terug naar Oost-Pruisen. Tijdens de luwte in de gevechten hadden de omsingelde Duitse troepen in Heiligenbeil, Koningsbergen en Pillau zich kunnen verenigen, maar nu gaf Stavka het bevel om de omsingelde Duitse troepen te vernietigen en Köningsbergen te veroveren. 

 

Op 13 maart 1945 ging het Rode Leger in de aanval. Als eerste stap was het de bedoeling om een wig te drijven tussen het 4e Leger en de troepen in de stad. Op 15 maart 1945 bereikte de voorhoede van het Rode Leger de Baltische kust ongeveer vijf kilometer ten zuiden van de stad. Het 3e Wit-Russische front begon de pocket vanuit het oosten langzaam in te drukken.

 

Vluchtelingen

De Duitse posities werden voortdurend bestookt door artillerie en bommenwerpers. Op 20 maart 1945 viel Braunsberg in handen van het Rode Leger. Eenheden van het 4e Leger en talloze burgervluchtelingen probeerden in kleine bootjes het Frische Haf over te steken naar de Frische Nehrung, de smalle schoorwal.

 

Onbeschermd tegen de weersomstandigheden en de aanvallen van Sovjet-vliegtuigen overleefden honderden deze overtocht niet. Vanaf de schoorwal trokken ze verder naar Pillau, in de hoop te worden geëvacueerd.

 

Het stadje Heiligenbeil viel op 25 maart en een dag later ook het havenstadje Rosenberg. De restanten van het 4e Leger trokken zich terug naar schiereiland Kahlholzeher Haken, waar ze nog steeds standhielden. Vanuit Balga probeerde de Kriegsmarine nog steeds vluchtelingen te evacueren. Op 29 maart 1945 gaven de laatste soldaten in de pocket zich over.


2. pocket konigsbergen


Na de vernietiging van de Heiligenbeil pocket richtte maarschalk Vasilevski zijn aandacht op Koningsbergen. Op 6 april 1945 werd de stad afgesneden van zijn laatste verbinding met Pillau, de havenstad. Maarschalk Vasilevski wierp vier legers in de de strijd tegen de uitgeputte verdedigers.

 

Vanuit het noorden vielen het 39e leger, 43e leger en het 50e leger aan. Vanuit het zuiden naderde het 11e Garde leger. Na een hevige strijd capituleerde het garnizoen op 9 april 1945.

 

De Slag om Koningsbergen was een mijlpaal in het Oost-Pruisenoffensief.


3. pocket pillau


Na de val van Koningsbergen hield het 26e Korps (Generaal Hans Gollnick) nog stand in Samland. Deze strijdmacht was een samenraapsel van verschillende eenheden, die probeerde de havenstad Pillau zo lang mogelijk te beschermen. Dit stadje aan het uiteinde van het schiereiland was de enige havenstad waar grotere schepen konden aanmeren.

 

In Pillau bevonden zich tienduizenden vluchtelingen. Op 13 april 1945 viel het 1e Baltische front aan, maar de Duitsers verdedigden zich koppig. Er werd hevig gevochten voor elke meter grond. Ook kon generaal Hans Gollnick rekenen op de artilleriesteun van de laatste grote schepen van de Kriegsmarine, de Prinz Eugen en de Admiral Scheer.

 

De Duitse verdedigers beseften dat elke dag dat ze standhielden betekende dat er meer vluchtelingen konden ontsnappen. Enkel na een onafgebroken strijd van twaalf dagen viel op 25 april 1945 de haven van Pillau in handen van het 1e Baltische front en pas op 27 april gaven de laatste verdedigers zich over. Na de val van de “Pillau” pocket was geheel Oost Pruisen in handen van de Russen.

 

Deze zouden het noordelijke deel inlijven terwijl het zuidelijke deel bij Polen zou gaan behoren.


zie ook: