Boracay

Reisverhalen - Filipijnen



dag 1: checkpoint


In de terminal te Caticlan zijn  drie loketten voor als je een boot wilt nemen naar het zeer populaire Boracay; een voor de boot, je milieu aansprakelijkheid en eentje voor de terminal. Het is zoals bijna overal op de Filipijnen, voorzichtig gezegd in het hoogseizoen een chaos.

 

Je zult moeten leren goed door te  duwen en niet het kaas van je boterham af te laten halen. Niet altijd makkelijk voor een goed opgevoede Westerse toerist.

 

Overal proberen mensen voor je langs te schieten en het is een zaak van je koppie erbij te houden. Je wordt vanzelf de goede kant opgeduwd en getrokken door een lange gang waar je uiteindelijk uitkomt bij een checkpoint.

 

Tassen moeten op een band voor controle maar niemand wordt gecontroleerd en volgens zit er niet eens iemand naar het scherm te turen. Dan sta ik op de pier en de wind suist door m’n haar. Geen bord te zien waar je heen moet, talloze mensen in uniform die het veel te druk hebben met collega’s en/of hun mobiele telefoon.

 

Ik sta daar maar en gok op een rij mensen die een zogenaamde “pompboot” op gaan – een houten boot met twee grote houten vleugels aan weerszijden.

 

Het heeft wat weg van zo’n vogel in Afrika die zich gedurende de dag opwarmt door z’n vleugels te openen en je wilt omarmen. 


op de "pompboot"


Een heel klein loopplankje ligt er tussen de boot en de hoge kade; in principe geen probleem maar er staat behoorlijk wat wind en de plank schuift over het beton van de kade heen en weer.

 

Ik, groot, zwaar (inclusief twee tassen) grijp naar de ijzeren relingen die voor mij veel te laag zitten en het moet lijken op een oud mannetje die een trap naar beneden klimt in het metrostation.

 

Dan is het uitkijken dat je je hoofd niet stoot als je binnenkomt en checken of je tas ook mee naar binnen komt.

 

Er staan houten bankjes in, waardoor net als in de bus twee aan twee kunnen zitten waarbij de achterkant is volgezet met bankjes aan de zijkanten. 

 

Als de boot vol is worden de trossen losgegooid en zijn we in 15 minuten op Boracay eiland. Even slikken want ik heb net zoveel betaald als m’n boottocht daarvoor die zo’n 3 uur heeft geduurd. Maar dit is het tropische paradijs in de Filipijnen heb ik mij laten vertellen dus niet zeuren. 

 

Natuurlijk gaat het opstaan en normaal in een rijtje staan om de boot af te komen hier niet zoals thuis. Ik zwaai m’n tas op m’n rug, creëer m’n eigen ruimte en schurk mijzelf in de rij om eruit te mogen.

 

Rond twee uur loop ik de kade af en kom uit op een bijna cirkelachtige pier waar tientallen “trycyle” chauffeurs ons toeschreeuwen. Steevast vragen zij 100 peso voor een ritje van twee kilometer die normaliter een tiende van deze prijs is. Eigenwijs en krenterig als ik ben besluit ik te gaan lopen en als ik het eerste heuveltje op ben sla ik mijzelf (niet voor de eerste keer deze reis) alweer voor m’n kop. 

 

Het is heet, benauwd, broeierig en er rijd een constante stroom aan auto’s en andere vervoermiddelen langs om je adem te doen stokken. Ik heb gelezen dat sommige mensen kamers verhuren en dat is ook m’n plan. Wat ik hier zie zijn de houten lokale kleine woningen waar geen bordjes staan en waar ik ook voor geen goud zou willen slapen.

 

Je verwacht een rijk eiland maar ook hier wonen “gewoon” hele arme mensen zo te zien terwijl het geld met bakken binnen komt. Op zo’n 500 meter kom ik het eerste huis tegen maar de kamer is vol zegt de vrouw. Als ik verder loop ben ik blij dat ik het niet heb genomen want het is nog een behoorlijk stuk naar het strand. 



de zoektocht


Dan beginnen de winkels, restaurants en hotels maar niet zoals je verwacht. Het is nog steeds de Filipijnen en heeft geen enkele overeenkomst met badplaatsen als Cancun, Bali en Thailand. Ik wandel en ik wandel maar geen kamertjes voor de korte verhuur.

 

Bij een hostel vraagt de jongen 1500 en ook bij een gasthuis verderop hoor ik het astronomische bedrag van 1500 peso aan m’n oren voorbij komen. Da’s niet weggelegd voor een backpacker zoals ik. Bij een woonhuis langs de weg wandel ik naar boven via een stenen trap en de man zegt dat hij kamers voor 600 peso verhuurd.

 

Maar deze zijn al verhuurd. Ik kom terecht bij een hostel dat 800 peso voor de kamer vraagt – 16 euro. Ik loop nog even verder, zoek en vraag maar dit blijkt het goedkoopste wat er is. Ik ga terug en check in. 


het witte strand


Na ingecheckt te zijn besluit ik naar het beroemde “witte strand” te lopen want lang zal m’n verblijf niet zijn op het “prijzige” eiland. Ik loop het steegje door waar m’n hostel aan ligt en kom op het strand terecht . De boulevard is een 4 meter breed zandpad aangelegd met daartussen in een of twee rijen hoge palmbomen. Langs het hele pad zijn er restaurants, bars en hotels.

 

Tussen de palmbomen liggen soms mensen op kleedjes en handdoeken, soms staan er strandstoelen van de hotels en vaak zitten er lokalen met hun verkoopspullen. Elke vijf meter staat er een verkoper met een bordje in z’n hand – massage, nepparels, activiteiten, souvenirs en weet ik veel meer. Stalletjes waar je hotdogs, pizza’s en andere hapjes kunt kopen.

 

Jaren 70

Vele grote restaurants maar echt aantrekkelijk (voor mij dan) is het niet – ik moet denken aan een verlopen “Acapulco” of een jaren 70 establishment. Ik hoor veel Russisch en er loopt ook een keur aan Aziatische toeristen; Westerse toeristen hebben blijkbaar dit oord al verlaten of nemen niet de moeite hier te komen.

 

Ik kan ze goed begrijpen want het is echt veel te druk. De zwembaden van de dure (betonnen) hotels liggen bomvol met toeristen en om de twintig meter zit een duikschool. Hele groepen jongeren verplaatsen zich met die grote flessen op hun rug over het strand wat totaal geen schaduw heeft. 

 

Ik loop het hele pad af (zeker 2 km) als ik het strand op moet omdat het pad ophoudt. Daar staan de hotels aan het strand en ik zie dat het afloopt. Er staat nog een hele groep mensen te fotograferen; ik kom dichterbij en dan zie ik dat er een Maria beeldje in een rots in het water staat. Veel boten liggen afgemeerd voor het strand en ook veel parasailers en jetski’s.

 

Op de heenweg stond er een bij een “portal” van McDonalds een rij van zeker 25 mensen – nu is er niemand. Als ik bij de balie sta verteld het meisje dat het ijs is uitverkocht. Na een aantal cafés en bars te zijn ingelopen kom ik uiteindelijk uit bij een sfeervol cafeetje met bar en terras buiten. Ik neem binnen plaats en het is mij direct duidelijk dat het hier gaat om een Duitse eigenaar. 



de dikke duitser


Er zit een gigantische man alleen aan een tafeltje midden in de zaak. Een heel klein brilletje staat schuin op z’n hoofd en de uiteinden verdwijnen ergens achter in z’n hoofd tussen wat grijze haartjes die daar nog groeien. Hij leest een boek zo te zien en er staat een tapbiertje voor z’n neus.

 

Een handdoek hangt op de leuning bamboestoel waar hij op zit en onder z’n kont liggen zeker drie a vier kussentjes. Hij kijkt op, pakt z’n glas op en kiepert deze in een keer leeg in z’n keelgat.

 

Met z’n hand geeft hij een van de dames van het personeel aan dat hij er nog eentje wilt.

 

Ik neem plaats achter in de zaak en kan het niet helpen de man te observeren. Hij moet minstens cup C hebben (hij is shirt-loos) en vraagt nu om iets te eten.

 

De dames zijn totaal niet onder de indruk en ik krijg steeds meer het vermoeden dat de man de eigenaar is van de tent ook al houdt hij zich totaal niet bezig met het personeel of de klanten. Als ik even later z’n kant opkijk giet hij weer een bier achterover en kucht wat.

 

Na twee biertjes verlaat ik de zaak en het lijkt erop alsof  hij mij nooit heeft zien komen en/of gaan. 


dag 2: "save water - drink wodka"


Lek geprikt door muggen maar opgefrist wandel ik de volgende dag de straat op en kom een dikke Rus tegen op de hoofdweg die mij bijna de weg opduwt met z’n dikke buik – op z’n shirt staat “save water – drink wodka” wat mij totaal niet verbaasd.

 

De hoofdstraat is een lange drukke weg die constant volstaat met verkeer – oversteken is bijna een doodvonnis. Na een korte, dure en zeer vet ontbijt begin een behoorlijke wandeltocht op m’n slippers.

 

Het wordt wat rustigere naarmate ik verder weg kom van m’n hostel en het aantal blanke toeristen neemt toe – waarschijnlijk zijn hier de meer duurdere hotels te vinden.

 

Wat mij opvalt zijn de gigantische bouwwerken die onder constructie zijn. Ik kom uit bij de MacDonalds die aan een klein meertje is gelegen en ik de afslag richting Bulabog strand te nemen. Ik wandel door een lange steeg en voel de wind. Ik kom uit op een smal wit strand wat een baai blijkt te zijn – het ligt vol met “parachutes” en zie tientallen “parasailers” in het water op hun plank staan.

 

Er staat hier inderdaad veel meer wind en het is hier ook helemaal niet fijn om te zitten. Ik kijk even rond en wandel dan terug. 


bootstation nr 01


Ik kom uit vlakbij het eerste bootstation waar je gek wordt van mensen die vragen of je een boot wilt huren, wilt duiken of haar in wil laten weven. Ook tatoeage shops doen het nog steeds goed zo te zien. Net voorbij de stroom van mensen zijn bamboepalen de grond ingeslagen en kun je onder de schaduw van wat bomen een goed plekje vinden op het strand.

 

Opmerkelijk genoeg ligt het niet helemaal vol en ik besluit hier m’n handdoek (van het hotel) en sarong neer te leggen. Het is hier heerlijk onder de bomen en nu baal ik ervan dat ik geen MP3 speler bij mij heb. Een vervelend Filipijns jochie probeert hier met iedereen (lees: alle Westerse toeristen) vrienden te maken omdat hij een boot wil verhuren maar ik houd het contact af.

 

Na een paar uur liggen en de zon komt haak ik af en ga terug naar m’n Duitse cultvriend. De man zit  exact in dezelfde korte broek (die wat wegheeft van een gigantische pyjama broek) en met hetzelfde boek op exact dezelfde plek. Ik kan achterin de zaak plaatsnemen en heb een goed zicht over de mensen in het restaurant en terras. Ik bestel een tapbiertje en zie hetzelfde tafereel als gisteren.

 

Dezelfde mensen aan de bar, achter de bar en aan de tafeltjes. Dit is voor mij een teken aan de wand morgen dit oord te verlaten en de echte Filipijnen weer te gaan ontdekken. 


>> Lees hier over de Thaise bounty-eilanden en zandstranden (in de Andaman)



boracay - tips & advies (2014)


Je kunt alleen op Boracay eiland komen door een (pomp)boot te nemen vanuit Caticlan wat op Panday eiland ligt. Je betaalt de bootkosten (25 peso), de milieukosten (75 peso) en de terminalkosten (100 peso) aan drie verschillende loketten.

 

Daarna vaar je in 15 minuten in een pompboot naar “Barocay” eiland waar je met b.v. een “trycycle” voor 100 peso naar je overnachtingsplek gebracht wordt. Deze rit duurt gemiddeld 20 minuten. 

 

Vanuit Caticlan kun je bijvoorbeeld naar het vliegveld, naar Kalibo (100 peso, 1,5 uur), Kalibo vliegveld (175 peso) of Iloilo met (mini)bus. Ook kun je de boot nemen naar Roxas (Mindoro eiland), 4uur varen voor 408 peso. 


Er zijn tientallen, misschien wel honderden restaurants en cafés te vinden bij “White Beach” op “Boracay” eiland. Ik vond na lang zoeken een gezellig café-restaurant aan het begin van de (zand)boulevard.

 

Het is van een Duitse eigenaar en heet Bei Kurt und Maggie en het heeft als een van de weinige bars tapbier (40 peso per glas). Het personeel is vriendelijk en je wordt snel en goed geholpen. Ook hebben ze een goed gevulde menu(kaart) en wordt er goede muziek gedraaid. 


Naam : Cena guesthouse

Adres : Tweede zijstraat (vanaf Angol) 

Prijs         : 800 peso (single)

 

Inhoud:

Het hostel ligt aan het begin van “White Beach” (tweede brede laan naar het strand toe) vanaf de hoofdweg, ongeveer 15 meter van de hoofdweg af. Het heeft een voortuintje en een soort van op en lobby. De eigenaresse, een zeer mollige vrouw op leeftijd zit daar achter haar bureau en er staat een TV te loeien.

 

Ze heeft meerdere kamers (ook boven) maar ik kreeg (en wilde) de goedkoopste die ze had. Er stat een 1 en een 2 persoons bed in en wat opvalt is de geur van de lakens – brandschoon. Ook de WC en douche (koud maar zeer sterke straal) zijn schoon. Je krijgt een handdoek en er is een AC of ventilator en er staat een TV.

 

Het is ’s nachts super stil maar ik had wel een hoop muggen in de kamer. Ook is er WIFI. Het ligt vlakbij het strand en vlakbij de weg en voor mij een prima locatie en ik denk de goedkoopste op het eiland. 



zie ook:




meer links:


Palolem

INDIA

De prachtige zandstranden van GOA, India zoals die van Palolem zijn echt heerlijk toeven. 

Magnetic Island

AUSTRALIE

Horsehoe Bay is een heerlijke maanachtige baai op Magnetic Island waar je kunt zonnen.