GESCHIEDENIS - België


Archeologische vondsten bewijzen dat al lang voor het agrarische neolithicum, Noordwest-Europa werd bewoond door de zogenaamde neanderthalers. Vuurstenen werktuigen maar ook skeletten van jagers en vissers dateren van ca. 500.000 v.Chr. In het neolithicum (ca. 4000 v.Chr.) verschenen de eerste landbouwdorpen met ongeveer 100 inwoners. Door het warmer klimaat en het smelten van de ijskap vestigen rondtrekkende groepen in gemeenschappen. Door het ontstaan van deze "dorpen" ontstaat er een landbouweconomie maar ook handwerknijverheid en steenindustrie. Tijdens de ijzertijd ontstonden ook enkele versterkte markt- en handelsplaatsen en heuvelforten. Bovendien ontstond er een onderscheid tussen krijgers en de gewone bevolking, waarschijnlijk onder invloed van binnenvallende Kelten. Tussen de Rijn en de Seine, een streek tussen Germanië en Gallië (Kelten), vestigden de Belgen zich. Zij vormden een buffer in het constante strijdgewoel tussen de Germanen en de Kelten. Het Kolenwoud overdekte het grootste deel van Midden-België waarvan nog plukken bos zijn blijven bestaan. De prille Belgen jagen in dit woud, ze leven van kruiden en vruchten en een primitieve akkerbouw en veeteelt. Het gezin is de basisstructuur van deze samenleving maar daarnaast ontstaat er een kastenstelsel met daarin de adel, de geestelijkheid, de vrijen en de horigen.


de romeinen


Nadat Gallie (hedendaags Frankrijk) door Ceasar’s Romeinen was veilig gesteld trok hij met z’n legers naar het noorden op. Ook de (Keltische) Belgische stammen werden veelal door strijd onderworpen in de jaren 57 tot 51 v.Chr. Hoewel ze hierdoor sterk verzwakt waren, waren ze enkele jaren later talrijk genoeg om deel te nemen aan de Gallische Opstand tot de 1e eeuw na Chr. In 12 v.Chr. vormde opvolger Augustus het gebied om tot de provincia Gallia Belgica. Het land van de Belgae grensde aan de Rijn, die door de Romeinen werd gebruikt als grens met Germania. In Belgica legden ze ook een netwerk van wegen aan om hun troepen zo snel mogelijk te verplaatsten. De belangrijkste heerweg die door Belgica liep was de heirbaan Boulogne-Keulen. Langs deze baan kwamen ook Romeinse villas en nieuwe dorpen. Deze plaatsen werden een afzetgebied voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse ambachten. Zo ontstond er een bloeiende handel met Italië en de rest van Gallia werd steeds intensiever. Ook ontstonden er grote landbouwbedrijven en aan de kust vissersdorpen en zoutwinningsbedrijven. Ook de textielnijverheid kwam sterk opzetten en er werden grote kuddes schapen gehouden voor de wol. Pas onder keizer Claudius (100 na Chr.) trad de eigenlijke romanisering op, maar tegelijkertijd werd de eigen cultuur behouden. De aristocratie paste zich aan de Romeinse levenswijze aan en kreeg burgerrechten. De macht van de druïde werd sterk ingeperkt en de Keltische goden werden geromaniseerd. 

 

Vanaf 256 staken Frankische krijgers de Rijn over en werd geheel Gallia geplunderd en werden vele steden en dorpen verwoest. Keizers Constantijn en Julianus verdreven hen rond 280, maar uiteindelijk werd er rond 296 een verbond gesloten met de Saliërs en werden ze als verdedigers van de rijksgrens tussen Nijmegen en de zee aangesteld. Vanaf ca. 297 werd Belgica door keizer “Diocletianus” gesplitst in Belgica Prima (met hoofdstad Trier) in het zuidoosten en Belgica Secunda (met hoofdstad Reims) in het westen. Het in het noordoosten gelegen Germania Inferior (met hoofdstad Keulen) was al op het einde van de eerste eeuw van Belgica losgemaakt. Onder druk van de Hunnen bleven de Germaanse stammen echter binnentrekken in de 3e eeuw. Daarom begonnen de Romeinen de bouw van nieuwe limes, namelijk de Litus Saxonicum langs de kust en de fortengordel langs de belangrijkste wegen tussen de kust en de Rijn. Toen het gebied ten noorden van deze laatste linie opgegeven moest worden, kon deze limes nog enige tijd weerstand bieden en het gebied ten zuiden ervan bezet blijven. Daaraan zou de taalgrens haar ontstaan te danken hebben.



karel de grote en de hanzesteden


De Franken zouden zich verenigen en zich bekeren tot het Christendom onder Clovis. De macht van de koningen nam zienderogen af en de hofmeiers, de beheerders van de koninklijke goederen, begonnen hun machtspositie te verstevigen. In 719 liet Karel Martel zich uitroepen tot hofmeier van het hele Frankische rijk en breidde dit flink uit. Zijn zoon Peppijn de Korte zette in 751 de laatste Merovingische vorst af en zo kwam de dynastie van de Karolingen aan de macht (naar Karel Martel). De zoon van Pepijn, Karel de Grote, was de machtigste vorst van het Frankische rijk, breidde dit nog verder uit tussen de Pyreneeën en de Elbe en werd hiervan op 25 december 800 gekroond tot keizer door paus Leo III. Onder het bewind van Karel de Grote en zijn opvolger Lodewijk de Vrome (814-840) heerste er in dit gebied rust en vrede en bloeide de (landbouw)economie hoog op. Toen Lodewijk overleed werd het rijk in 843 verdeeld onder z’n drie zonen. Met uitzondering van het Graafschap Vlaanderen behoorde het huidige België tot Neder-Lotharingen. 

 

Vanaf het einde van de negende eeuw verloor de koning in West-Francië (nu: Frankrijk) de absolute macht. De invallen van de Noormannen en het verval van het centrale gezag versterkten dit proces nog. Enkele gouwgraven zagen hun kans schoon en gingen het gezag in eigen naam uitoefenen; op deze manier ontstonden o.a. het hertogdom Brabant, het graafschap Henegouwen en Vlaanderen. Vanaf ca. 1050 brak voor de achterlijke, agrarische en ontvolkte gewesten die het huidige België vormden, een periode van economische groei aan. Belangrijk werden de lakenindustrie in Vlaanderen, de export van natuursteen en in Luik werd in 1195 de eerste steenkool ontgonnen. Kooplieden uit dezelfde stad verenigden zich op een gegeven moment in een "hanze" die zich later weer aaneensloten en steeds machtiger werden. Vanaf midden veertiende eeuw werd Europa getroffen door een economische depressie en de pest of "zwarte dood" zorgde ervoor dat een derde van de Europese bevolking uitgeroeid werd.


de bourgondische tijd


Als begin van de Bourgondische Nederlanden geldt het jaar 1384 toen de enige erfgename van de Vlaamse graaf met de Franse hertog Filips de Stoute trouwde. Vooral de kleinzoon van Filips de Stoute, hertog Filips de Goede (1396-1467) wist, na de moord op zijn vader Jan zonder Vrees in 1419, meerdere gewesten te verwerven, meestal op vreedzame manier door middel van huwelijk, erfenis of afkoop. Naast Vlaanderen vielen nu ook grote delen van het huidige Nederland, België en Luxemburg onder het Bourgondische Rijk. In de Bourgondische tijd was Vlaanderen na Italië het meest verstedelijkte gebied van Europa. Het was zelfs rijker dan Bourgondië zelf. Steden als Gent en Brussel groeiden verder uit en werden verfraaid. Zo werden er onder andere stadhuizen gebouwd. Om gemakkelijker zijn wil te kunnen opdringen en om tijd te winnen, liet hij de vertegenwoordigers van de verschillende provincies samenroepen in één enkele vergadering: de Staten-Generaal (1463).

 

Op 5 januari 1477 sneuvelde hertog Karel de Stoute in de slag bij Nancy en ging een groot deel van het Franse bezit van de Bourgondiërs verloren aan de Franse kroon. (Bourgondische Successieoorlog). Door het huwelijk van zijn dochter Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk werd vooralsnog voorkomen dat Frankrijk de Nederlanden aanviel en het zorgde er tevens voor dat het Huis Habsburg in de Bourgondische erfenis werd gebracht. 


de habsburgse- en spaanse nederlanden


Door erfopvolging kwamen de Bourgondische landen in handen van keizer Karel V. Hij breidde z’n macht naar het noorden uit zodat hij geheel Nederland, België en Luxemburg verenigde in de zogenaamde Zeventien Provinciën. Voor het bestuur stelde hij de Staten-Generaal aan en als landvoogdes Margaretha van Oostenrijk en na haar dood Maria van Hongarije. In 1555 kwamen de Nederlandse gebieden toe aan zijn zoon Filips II toe en het Heilig Roomse Rijk (Duitsland) aan zijn broer Ferdinand. Om het protestantisme in Nederland een halte toe te roepen brak er een opstand uit die uitmondde in de Tachtigjarige Oorlog. Deze leidde uiteindelijk tot een tweedeling van de Nederlanden in een deel dat onder Spaanse heerschappij bleef (de Zuidelijke Nederlanden) en in een deel waarin de Spaanse heersers hun machtsbasis kwijtraakten (de Noordelijke Nederlanden).

 

Sinds 1635 waren de Zuidelijke Nederlanden ook nog regelmatig in oorlog met Frankrijk en deze strijd werd voornamelijk op "Belgisch" grondgebied uitgevochten. Een deel van Henegouwen en Vlaanderen ging verloren, maar een totale inlijving door de Fransen kon met behulp van de Republiek en Engeland voorkomen worden. Economisch was de oorlog voor de Zuidelijke Nederlanden desastreus. Antwerpen verloor zijn status als internationaal commercieel centrum en door plunderingen, hongersnood en pest leed ook het platteland. Pas met de aanstelling van Isabella en Albrecht keerde het economische tij zich weer wat, maar in de tweede helft van de 17e eeuw zette de dalende trend zich weer in door dalende landbouwprijzen. Eind 17e eeuw werd een economisch dieptepunt bereikt door voortdurend oorlogsgeweld en opnieuw werd de bevolking getroffen door ernstige hongersnood.



in oostenrijkse- en franse handen


Na de Vrede van Utrecht in 1713 werden de Zuidelijke Nederlanden toegewezen aan de Oostenrijkse keizer Karel VI. Na z’n dood brak de Oostenrijkse Successieoorlog uit en ook nu werd deze weer uitgevochten op Zuid-Nederlands grondgebied. Hij werd opgevolgd door zijn dochter Maria Theresia die na de Vrede van Aken in 1748 het bewind over de Zuidelijke Nederlanden kon gaan voeren. De Belgen kwamen in opstand en enkel Luxemburg bleef in Oostenrijkse handen. Voor een paar jaar verenigde het zwakke Nederland zich met de Zuidelijke Nederlanden. Maar het Oostenrijkse gezag kon opnieuw in december 1790 hersteld worden onder leiding van een tactvoller opererende keizer Leopold II, broer en opvolger van Jozef II. In 1792 vielen de Fransen de Zuidelijke Nederlanden binnen en wisten het hele land en tevens het prinsbisdom Luik te bezetten. In 1793 leden ze echter een zodanige nederlaag bij Neerwinden dat ze zich moesten terugtrekken. Op 26 juni 1794 wisten de Fransen in de Slag bij Fleurus een definitieve overwinning te behalen.

 

Meteen na deze overwinning van de Fransen werden de hervormingen van de Franse Revolutie langzaamaan ingevoerd en werd het ancien régime, de oude sociale en politieke orde, afgeschaft. Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden als Belgische departementen bij de Franse Republiek ingelijfd. Er werden wegen en kanalen aangelegd. Kerkvervolging en dienstplicht zorgden in 1798 voor opstanden. De opstand eindigde op 5 december 1798 toen het boerenleger op Ter Hilst (Hasselt) werd verslagen. Rust kwam er pas met het consulaat van Napoleon I Bonaparte en met het concordaat dat de paus met Napoleon sloot. Tijdens de Franse tijd kon zich de in Engeland ontstane industriële revolutie ontwikkelen. Zo werd de textielindustrie gemechaniseerd, ontstond er een militaire industrie die leverde aan het Franse leger en werden er moderne fabrieken gebouwd. De bevolking kwam wel in opstand tegen de dienstplicht en de zware belastingen. Het verfransingsproces in Vlaanderen werd versneld door het invoeren van het Frans als officiële taal. Het was dan ook niet vreemd dat bij de Slag bij Waterloo Belgen zowel met als tegen Napoleon streden; uiteindelijk leed Napoleon Bonaparte bij Waterloo in 1815 zijn definitieve nederlaag.




koninkrijk der nederlanden en onafhankelijkheid


Op 21 juni 1814 ondertekenden de grote mogendheden een verdrag waar Noord- en Zuid-Nederland en Luxemburg werden herenigd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Dit gebeurde op initiatief van Engeland dat na de ineenstorting van het Franse rijk een sterke bufferstaat wilde vormen tegen Frankrijk. Het beleid van de nieuwe koning Willem I zorgde voor een verdere economische en industriële ontwikkeling van de Belgische gewesten. Hij legde een aantal kanalen aan om de economie te stimuleren, breidde het onderwijs uit en streefde ernaar het Nederlands de officiële taal van Vlaanderen te maken. Vooral de Franstalige katholieken verzetten zich hevig tegen de politiek van de koning. Onder invloed van de slechte economische toestand en van de Julirevolutie in Frankrijk kwam het op 25 augustus 1830 tot relletjes in Brussel. Vanaf 27 augustus kwam men op meerdere plaatsen in opstand. Op 23 september trok de Nederlandse prins Frederik met het regeringsleger Brussel binnen, maar door het hevige verzet van de Belgen en de grote desertiegraad van de Zuid-Nederlanders was hij gedwongen vier dagen later te vertrekken. Tijdens deze gevechten kwam het Voorlopig Bewind tot stand waarop deze regering riep op 4 oktober de onafhankelijkheid uit. Op 4 juni 1831 werd Leopold van Saksen-Coburg-Cotha door het Congres tot staatshoofd gekozen en op 21 juli legde hij de eed af als eerste koning van de Belgen. Een maand later, een jaar na de aanvang van de revolutie, viel het Nederlandse leger, nu onder leiding van kroonprins Willem, België binnen via Limburg en Turnhout (Tiendaagse Veldtocht). Vanwege het gemak waarmee zij in 1830 de "Hollandse" troepen hadden verdreven, waren de leiders van de Belgische Opstand al te overmoedig geworden, zodat zij geen rekening hielden met de mogelijkheid van een serieuze "Hollandse" aanval en verzuimden een behoorlijke legermacht op te bouwen.

 

In de vroege ochtend van 2 augustus 1831 trokken de Nederlanders de Noord-Brabantse grens bij Poppel over. Bij Nieuwkerk vonden de eerste gevechten plaats. Op 8 augustus versloegen de Nederlanders het Maasleger onder Daine bij Hasselt en op 11 augustus werd ook de voorhoede van het Scheldeleger bij Boutersem verslagen. Toen de Belgen op 12 augustus ook de Slag bij Leuven dreigden te verliezen, leek het jonge koninkrijk verloren. Een dag later zette maarschalk Gérard zich met zijn ongeveer 70.000 soldaten sterk leger in beweging. De Fransen konden dit zonder problemen doen, omdat Pruisen zonder Russische dekking geen steun aan de Nederlanders wilde verlenen. De Russische tsaar kon immers geen hulp verlenen, vanwege de Poolse opstand. De Franse koning Lodewijk Filips zou hoogstwaarschijnlijk teruggeschrokken zijn voor het vooruitzicht van een algemene, Europese oorlog. De prins van Oranje wilde echter voorkomen dat er gevechten zouden plaatsvinden met de Fransen en na interventie van de Engelse minister werd op 12 augustus al een wapenstilstand gesloten. De laatste Nederlandse regeringstroepen trokken zich op 20 augustus terug uit België maar behielden een voet in Antwerpen, Luxemburg en Maastricht. Vanwege het Nederlandse militaire machtsvertoon en de gebleken zwakte van de Belgische staat, besloten de grote mogendheden de boedelscheidingsvoorwaarden enigszins ten gunste van Nederland te wijzigen. Op deze manier claimde Willem Zeeuws-Vlaanderen en delen van Limburg. Ook kreeg hij het Duitstalige deel van Luxemburg. Het zou nog tot 1839 duren voordat koning Willem I het nieuwe België erkende. 


tot de eerste wereldoorlog


Na de onafhankelijkheid kwam het Unionisme onder druk te staan door de weer opspelende levensbeschouwelijke tegenstellingen. Toch kwam aan het Unionisme een eind door de opkomst van de Liberale Partij in 1846, die meteen aan de macht kwam na de verkiezingen van 1847. Economisch veranderde België vrij snel van een landbouwstaat in een industriestaat met als belangrijke sectoren mijnbouw en metaalindustrie. Ook de aanleg van een spoorwegnet vanaf 1834 zorgde voor economische impulsen. De buitenlandse handel werd gestimuleerd en het bank- en verzekeringswezen nam een hoge vlucht. Het economisch liberalisme zorgde echter ook voor armoede en ellendige leefomstandigheden. Vanaf ca. 1860 zorgde de Vlaamse Beweging ervoor dat de verfransing van Vlaanderen op de politieke kaart kwam te staan. Koning Leopold II was evenals Leopold I een vurig voorstander van expansie in het buitenland en z’n oog viel op het nog “vrije” Kongo. In 1890 werden nog meer gebieden veroverd en stonden de beide Kamers een nieuwe lening toe. Op 15 november 1908 werd de Kongostaat (eindelijk) onder de nieuwe naam Belgisch Congo een kolonie van België. Congo was echter niet de enige Belgische kolonie. Zo hoorden ook Ruanda-Urundi, Santo Tomás (Guatemala), Tianjin in China en het Isola Comacina tot België, ook al waren deze pogingen niet erg succesvol. Enkele andere kolonisatiepogingen van de Belgen gebeurden in Brazilië, op de Canarische eilanden (Vlaamse Canarische Natie) en op de Azoren (Vlaamse eilanden).


ww1


De Eerste Wereldoorlog startte op 4 augustus 1914 met het binnenvallen van het neutrale België door Duitsland. In tegenstelling tot wat het verwachtte bood het Belgische leger weerstand bij Visé en hielden de forten rond Luik langer weerstand dan verwacht. Ruim een maand wist het Belgische leger de Duitsers te vertragen. Ondertussen was het British Expeditionary Force (B.E.F.) opgerukt naar de Belgische grens. In de Slag om de Grenzen wist de Entente de Duitse opmars opnieuw te vertragen. De Belgen zetten de IJzervlakte onder water en hield het aan de rivier met dezelfde naam stand. Koning Albert bleef in België maar de regering trok zich terug in het Franse Le Havre. Grote aantallen Belgen vluchtten naar het noordelijke neutrale Nederland. Om meer controle over de grens te krijgen, begon in 1915 de Duitse bezetter met de aanleg van De Draad, een draadversperring met dodelijke elektrische spanning, langs de grens tussen België en Nederland. In bezet België werd er door de Duitsers een dubbele politiek gevoerd. Men wilde België economisch uitzuigen om de oorlog voort te zetten, maar men wilde tevens de steun van vooral de Vlaamse bevolking voor de oorlog. Enkele maatregelen van de Duitsers in bezet België waren onder andere de Vernederlandsing van de universiteit van Gent en het instellen van autonomie voor Vlaanderen. Uiteindelijk had de Duitse bezettingspolitiek geen succes.

 

In 1914 en 1915 werden de Eerste Slag om Ieper en de Tweede Slag om Ieper uitgevochten, zonder noemenswaardige terreinwinst voor beide partijen. In 1917 werd de Slag om Passendale uitgevochten. In 1917 leek het nog eventjes of België toch de oorlog zou verliezen. Aan het Belgische front wierp de taalstrijd een schaduw op het Belgische leger. In 1918, nadat de Entente de Hindenburglinie had doorbroken, werd België bevrijd. Bij het Verdrag van Versailles mocht Belgie een mandaat uitoefenen over Rwanda-Boeroendi en annexeerde het de Duitse gebieden Eupen, Malmédy en Sankt Vith. Claims op Nederlands Zeeuws Vlaanderen en Zuid Limburg werden niet gehonoreerd. 




interbellum en ww2


Na 1918 werden er, ondanks het gebrek aan een totale visie op het kolonialisme, belangrijke vernieuwingen in de kolonies ingevoerd, waardoor Belgisch-Congo een van de meest voorbeeldige Afrikaanse kolonies werd met vormen van indirect bestuur, sociale en medische voorzieningen en lager onderwijs. In Belgie zelf was men nu bijna altijd aangewezen op coalitieregeringen en in het Interbellum kwam het zelfs vaak tot een samenwerkingsverband van de drie zogenaamde nationale partijen; de katholieken, de socialisten en de liberalen. Andere partijen die zich in het interbellum manifesteerden waren het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), dat steeds meer neigde naar het fascisme en het nationaal socialisme, en de Communistische Partij van België (CPB: nu KPB). Het herstel van de economie kwam pas na 1925 weer goed op gang. Helaas kwam aan deze economische opgang al snel een einde na wereldcrisis in de jaren dertig. In de jaren tussen de beide wereldoorlogen werd ook de sociale wetgeving aangepakt en dat resulteerde o.a. in stakingsrecht (1921), een achturige werkdag (1921) en minimumloon (1936).

 

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen zonder oorlogsverklaring België binnen en op 28 mei capituleerde België. Koning Leopold III bleef in België, maar de ministers weken uit naar Frankrijk en later naar Londen. Het volledig bezette België kreeg ondertussen een militair bestuur. Na een aanvankelijk aarzelend begin breidde de van bij het begin ontstane verzetsbeweging zich na de winter van 1941 snel uit. De Belgische economie werd door de Duitsers ingezet in de oorlogsvoering en er kwam een verplichte arbeidsdienst. Bij de collaborerende partijen hoorde het VNV, en de sterk pro-Duitse Rex, Vlaamse SS en DeVlag. Na de geallieerde doorbraak vanuit Normandië werd Brussel op 3 september 1944 bevrijd en een paar weken later praktisch geheel België. Na een korte Duitse tegenaanval in het Ardennenoffensief was de oorlog voor België voorbij.




periode 1945-1970


Na de oorlog werden er eerst twee regeringen van nationale unie samengesteld. Na 1946 volgden vele coalitieregeringen met wisselende samenstellingen en af en toe een een-partijkabinet onder de CVP. Ook staken de levensbeschouwelijke tegenstellingen al weer snel de kop op en ook de omstreden houding en eventuele terugkeer van Leopold III als koning leverden grote conflicten tussen de partijen op. Voeg daarbij de voortdurende Vlaams-Waalse tegenstellingen en dit alles bracht België op de rand van een burgeroorlog. Deze kon alleen voorkomen worden door de troonsafstand van Leopold III in 1951 ten voordele van zijn zoon Boudewijn. Economisch wist België zich snel te herstellen van de oorlog door o.a. het Marshall-plan, de Benelux en ander Europese verbanden, de muntsanering van 1944 en het op dreef brengen van de steenkoolproductie en de relatief intact gebleven industriële infrastructuur. Ondanks de economische vooruitgang bleven er veel mensen werkloos en pas vanaf 1959 trad daar verbetering in. 

 

Na de oorlog nam het onafhankelijkheidsidee in Belgisch-Congo een steeds duidelijker vorm aan. Onlusten in Leopoldstad dwongen de Belgische regering ertoe om het recht van Belgisch-Congo op onafhankelijkheid te erkennen (13 januari 1959). Zonder noemenswaardige tegenstand van de regering werd Belgisch –Congo op 30 juni 1960 een zelfstandige staat. Meteen braken daar onlusten uit die Belgie noopten tot een militaire interventie. Vlak voor de onafhankelijkheid telde Congo zo'n 14 miljoen inwoners, waaronder ongeveer 90.000 Belgen. Het mandaat dat België na WW1 over twee provincies van Duits Oost-Afrika, Oeroendi en Rwanda had gekregen, liep op 1 juli 1962 af. Op het buitenlandse vlak werd de Benelux geleidelijk in werking gesteld en sloot België zich aan bij diverse internationale organisaties als de West-Europese Unie, de Navo en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Ook werd in in 1962 de taalgrens vastgelegd en in 1963 de taalwetgeving herzien. 


tot het millenium


In de jaren zeventig werd ook België getroffen door de internationale economische crisis en werd afgerekend op de verouderde economie. De sluiting van vele bedrijven en het verlies van duizenden arbeidsplaatsen werd daarbij voor lief genomen. De werklosheid groeide in iets meer dan tien jaar tijd van 3,4% in 1972 tot 18,5% in 1983. Dit zorgde weer voor grote begrotingstekorten en een gigantische toename van de staatsschuld. Vanaf 1970 stond de politiek voornamelijk in het teken van de staatshervorming. Er volgde economische decentralisatie en met een grondwetsherziening kwam er een einde aan het unitaire België. De centrumrechtse regeringen-Martens voerden vanaf 1982 een streng saneringsbeleid om het begrotingstekort in te dammen en dat beleid begon op het einde van de jaren tachtig vruchten af te werpen: het begrotingstekort kon worden teruggedrongen en de werkloosheid begon te dalen, mede dankzij de heroplevende conjunctuur. Een nieuwe grondwetswijziging in 1988 gaf de gewesten, de gemeenschappen en het stadsgewest Brussel nog meer autonomie en financiële vrijheden gezien de grote problemen die dit had veroorzaakt in de jaren 80. 

 

De parlementsverkiezingen zorgde voor grote verschuivingen binnen de Belgische politieke wereld. Alle grote partijen verloren zetels en de winst ging in Vlaanderen naar het uiterst rechtse Vlaams Blok en in Wallonië naar de milieupartij Ecolo. Premier Martens werd opgevolgd door de Christen-Democraat Jean-Luc Dehaene die in 1992 een rooms-rood kabinet vormde. Voor Dehaene was het verminderen van de veel te hoge staatsschuld de belangrijkste doelstelling. Andere speerpunten van deze regering waren de sanering van de rijksbegroting, het terugdringen van de werkloosheid en de hervorming van de sociale zekerheid. Op 31 juli 1993 overleed koning Boudewijn en werd opgevolgd door zijn broer, Albert II. Tijdens de Kosovo-crisis in 1999 namen 600 Belgische paracommando’s deel aan Allied Harbour, de NAVO-operatie ter bescherming van de Kosovaarse vluchtelingen in Albanië. In datzelfde jaar vertrokken 1100 militairen naar Kosovo om deel te nemen aan KFOR, de NAVO-vredesmacht voor Kosovo. In december 1999 kondigde de regering Verhofstadt aan om opnieuw een actief buitenlands beleid te voeren, met name in Centraal-Afrika waar o.a. de oude kolonie van België, Congo, ligt. Zo gauw daar vrede in de regio zou zijn zou België zich inspannen om de wederopbouw politiek en financieel te steunen. Op 4 december 1999 trad kroonprins Filip in het huwelijk met Mathilde d’Udekem d’Acoz die vanaf die dag de titel "prinses van Belgie" draagt. Op 1 januari 1999 werd de euro ingevoerd en vanaf 1 januari 2002 werd de frank volledig door de euro vervangen.


de jaren 2000


De nieuwe regering van 2003 heeft een ambitieus binnenlands programma, en streeft onder andere naar het creëren van 200.000 nieuwe banen tijdens de regeringsperiode. Bij de laatste regionale verkiezingen van 13 juni 2004 heeft het rechts-nationalistische Vlaams Belang (voorheen: Vlaams Blok) haar electorale groei doorgezet. Op 2 januari 2009 wordt eindelijk de nieuwe regering aangesteld met als premier Herman Van Rompuy. Leterme keert terug als premier. Na een ruzie over de Vlaams-Waalse kwestie valt het kabinet in april 2010. Bij de verkiezingen in 2010 wordt in Vlaanderen de Vlaamse alliantie de grootste partij en winnen in Wallonië de socialisten. Ellio de Rupo wordt in december 2011 premier na een recordtijd (541 dagen) zonder regering. Op 13 december 2011 gooit een terrorist meerdere granaten en opent nadien het vuur op een groep mensen op de Place Saint-Lambert in Luik.

 

 

In juli 2013 treedt Koning Albert II af ten gunste van zijn zoon Philipe. In mei 2014 wordt de N-VA de separatistische Vlaamse partij de grootste in Vlaanderen en de koning vraagt haar leider om naar de mogelijkheden te kijken om een nieuwe regering te vormen. Op 24 Mei van dat jaar opent een man het vuur in de inkomhal van Joods Museum in Brussel. Er vallen vier doden. In 2014 krijgt Belgie een centrumrechtse regering met de Vlaamse nationalisten van N-VA, de Vlaamse christendemocraten (CD&V) en liberalen (Open VLD) en de Franstalige liberalen (MR). De Franstalige liberaal Charles Michel van de MR zal de nieuwe premier worden. Eind 2014 overlijdt koningin Fabiola op 86-jarige leeftijd. Op 22 Maart 2016 wordt België getroffen door een reeks aanslagen in en rond de hoofdstad. Bij het vliegveld Zaventum komen 35 mensen om het leven. De daders waren teruggekeerde Syrie-gangers. Bij de verkiezingen van 26 mei 2019 kreeg de N-VA 16% van de stemmen, Vlaams Belang 12% en Parti Socialiste werd met 9,5% de derde partij. Sindsdien wordt België geleid door een demissionair kabinet. Dit stond in eerste instantie o.l.v. premier Michel. Omdat hij werd benoemd tot voorzitter van de Europese Raad, werd Michel in oktober 2019 opgevolgd door de eerste vrouwelijke Belgische premier: Sophie Wilmès. In 2020 wordt ook België zwaar getroffen door het corona-virus. Ik Oktober, na bijna 500 dagen heeft België een nieuwe federale regering. Het is er een met zeven partijen; de Belgische koning Alexander De Croo officieel benoemen tot de nieuwe premier. Er volgen meerdere lockdowns na een verlies van ruim 20.000 levens door het virus. 



zie ook: