GESCHIEDENIS - Albanië


Illyriers, Grieken en Romeinen


Enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling werd Albanië bewoond door de Illyriërs. Zij bouwde gefortificeerde steden, en handelden in gebieden rond de Middellandse Zee met voornamelijk zilver en koper uit de mijnen. De Grieken arriveerden in de 7e eeuw v.Chr. en stichtte zelf-regulerende kolonie-steden zoals Epidamnos (nu Durres), Appolonia en Butrint. Zij leefden in goede harmonie met de aanwezige Illyriers. In de tweede helft van de 3e v.Chr. kwamen de uitbreidende Illyriers in botsing met de Romeinen. Deze laatste stuurden 200 boten de Adriatische Zee op om met Koningin “Teuta” van de Illyriers af te rekenen. In de 2e eeuw v.Chr. werd Albanië door de Romeinen veroverd en gedeeltelijk geromaniseerd. Het fort in Skohdra was de laatste vesting van de Illlyriers. Het was een tijd van voorspoed en rust; de Grieken en de Illyriers leefden in redelijke harmonie met de nieuwe heersers. De belangrijkste (handels)route tussen Constantinopel en Rome (Via Egnatia) liep van Thessaloniki naar Durres. Toen het Romeinse Rijk uitelkaar viel in 395 n.Chr. zou “Illyria” (nu Albanië) gaan behoren tot de Oost-kant van het Rijk wat later uit zou groeien tot het Byzantijnse Rijk.


het byzantijnse rijk


Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk werd het huidige Albanië tijdens de 5e en 6e eeuw constant aangevallen door barbaren zoals de Visigoten, Hunnen, Oostgoten en Slaven. De oude Goden werden onderhand vervangen door  het Christelijke geloof aangemoedigd door Keizer Constantijn. Drie van de eerste Keizers van het Byzantijnse Rijk waren van Illyrische achtergrond. In 1344 werd Albanië geannexeerd door Servië maar toen dit land werd overwonnen door de Turken lag de Balkan open voor Ottomaanse aanvallen. Dit gebied kwam aan het begin van de 14e eeuw onder het bewind te staan van de Italiaanse prinsen Orsini, terwijl Midden-Albanië als het Koninkrijk Albanië onder de koningen van Napels viel. Ook de Venetianen hielden enkele kustplaatsen onder hun vleugels. In de eerste helft van de 15e eeuw vielen de Turken Albanië binnen. Ondanks het verzet van de Albanezen o.l.v. de volksheld Skanderbeg, werd het vanaf 1478 officieel Turks gebied. Opmerkelijk was dat vele Albanezen overgingen tot de islam, maar de trotse Albanezen bleven gedurende de overheersing tegen de Turken in opstand komen, vooral sinds de 18e eeuw. Maar er waren die ook verhuisden naar Italië (Sicilië en Calabria) waar nu een behoorlijke grote minderheid woont. De Ottomanen zouden Albanië besturen tot 1912.


de Ottomaanse tijd


Veel invloedrijke politici van het Ottomaanse Rijk waren afkomstig uit Albanië en Kosovo. De Albanezen hadden binnen het rijk de reputatie van eersteklas soldaten en handelaren en zwermden uit naar alle delen van het rijk. Met het echte Albanië ging het echter bergafwaarts. De sultan stak weinig in de ontwikkeling van dit buitengewest, en de pasja's (gouverneurs) waren er oppermachtig. De bevolking verarmde, en de cultuur kwam weinig tot ontwikkeling. De Albanezen hadden niet, zoals de Serviërs en Grieken, een belangrijke gemeenschap buiten het rijk, noch buitenlandse vrienden.  

 

In de tweede helft van de 19e eeuw kalfde de Ottomaanse macht echter in versneld tempo af. Rond de eeuwwisseling was bij de Albanese elite het besef doorgedrongen dat Albanië opgedeeld zou kunnen worden en de nationale identiteit zou verliezen. In de jaren 80 van de 19e eeuw hadden zij zich nog met succes tegen de hebzucht van Montenegro verdedigd. De Albanezen kwamen in 1912 in opstand d.m.v. een opgezette Albanese liga, en wisten zelfs Skopje te bezetten. Vlak voor het uitbreken van de Eerste Balkanoorlog, verkreeg Albanië autonomie binnen het Ottomaanse Rijk, maar voor Servië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland was dit een teken dat de Turken op hun laatste benen liepen. Het werd tijd om de Balkan opnieuw in te delen. Tijdens de Eerste Balkanoorlog in 1913 verklaarde Albanië zich onafhankelijk.


onafhankelijk


Op 28 november 1912 werd “Qemali” voorzitter van het Voorlopige Parlement en daarmee in feite staatshoofd. De grote mogendheden waren niet tevreden over deze gang van zaken en besloten dat Albanië een onafhankelijk prinsdom moest worden. Op 21 februari 1914 werd de Duitse prins Wilhelm zu Wied (een zoon van prinses Marie der Nederlanden), vorst van het onafhankelijke Albanië. De staat verkeerde echter in een toestand van anarchie. Het formeel neutrale Albanië werd na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bezet door Italië, Servië, Montenegro en Griekenland. In 1916 verdreven Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije de Serviërs. In 1918 verlieten de Oostenrijk-Hongaarse troepen het land en bezetten de Fransen en Italianen delen van Albanië in de hoop het land te kunnen koloniseren. Onder druk van de Verenigde Staten, die eisten dat Albanië werd hersteld tot de grenzen van voor de Eerste Wereldoorlog, trokken de buitenlandse troepen zich terug. Met uitzondering van de Italianen die na een korte oorlog, de Vlora-oorlog, van drie maanden in 1920 alsnog de Albanese regio Vlorë verlieten. Een jaar later volgden de Joegoslaven, de laatste “want-to-be” bezetters.


van vorstendom tot protectoraat


Formeel was Albanië nu een vorstendom, echter zonder vorst en sterke regering. Van 1921 tot 1925 werd Albanië bestuurd door een Hoge Raad dat werd ondermijnd door de vele opstanden en de krijgsheren die tegenregeringen vormden. De naar Albanië teruggekeerde Ahmed Zogu, riep in januari 1925 de republiek uit met zichzelf als president en premier. Zogu maakte van Tirana de hoofdstad van het land. Hij verliet nauwelijks zijn paleis uit angst te worden gedood vanwege bloedwraak. Zogu was betrokken bij diverse politieke moorden en mocht volgens de erecode worden vermoord door familieleden van de omgekomenen, behalve als hij door een vrouw werd vergezeld. Daarom was zijn moeder altijd bij hem. In 1928 nam Zogu onder de naam Zog I van Albanië de koningstitel aan en werd het land een koninkrijk. Intussen werden de banden met Italië aangehaald dat het recht kreeg om de olievoorraden in Albanië te exploiteren en de Bank van Albanië te runnen. In ruil voor financiële steun maakte Zog zijn land steeds afhankelijker van Italië terwijl de nieuwe koning regeerde als een despoot en vele vijanden maakte. Door nauwer contact met Italië te zoeken probeerde Zog de Joegoslavische invloed op Albanië in te perken.  

 

Na zijn kroning probeerde Zog onder de Italiaanse invloed uit te komen. Internationaal en financieel gezien bleek Albanië volledig geïsoleerd, de internationale gemeenschap leek zich te hebben neergelegd bij de dominante Italiaanse positie in Albanië. In 1934 werd een nieuw eisenpakket op tafel gelegd en deze betekenden in feite het einde van de Albanese onafhankelijkheid. Omdat Hitler de AnschluB met Oostenrijk had geregeld wilde ook Mussolini een nieuwe daad stellen. Op 25 maart 1939 kreeg koning Zog nieuwe eisen voorgelegd; hij weigerde in te stemmen maar durfde ook niet publiekelijk te weigeren. Op 6 april 1939 stelde Italië een ultimatum en toen dat niet werd ingewilligd landden op 7 april 1939 Italiaanse troepen in Durrës. Na drie dagen was Albanië verslagen en vluchtte Koning Zog I, zijn vrouw en zijn pasgeboren kind naar Groot-Brittannië.


Italiaanse controle


Albanië werd een Italiaans protectoraat en de Italiaanse koning werd tevens Albanees koning. Alle politieke partijen werden verboden, behalve de kort na de Italiaanse invasie opgerichte Albanese Fascistische Partij (AFP). Op 3 juni werd het Albanese leger in het Italiaanse leger ingelijfd. Shefqet Vërlaci, Zogu's vroegere bondgenoot, werd voorzitter van de AFP en premier van Albanië.  

 

Op 28 oktober 1940 begon Mussolini een aanval op Griekenland. Hij vreesde dat Duitsland na de succesvolle Blitzkrieg in Noord- en West-Europa ook de Balkan zou aanvallen. Bovendien kon Griekenland (op dat moment nog neutraal) een Brits steunpunt worden. Engeland zou zo de heerschappij in het oostelijk Middellandse Zeegebied kunnen verkrijgen, een positie die Mussolini voor Italië zag weggelegd. Om Albanese steun voor de aanval op Griekenland te verkrijgen werd in propaganda-uitzendingen voortdurend de onderdrukking van de Albanese minderheid in noordwest Griekenland ter sprake gebracht. De aanval verliep voor Italië catastrofaal. Op 14 november 1940 begon het Griekse tegenoffensief en binnen drie maanden was twee vijfde van Albanië door Griekenland bezet (waaronder de steden Korçë, Gjirokastër en Pogradec). De Albanese rol was beperkt. Naar schatting 50.000 Albanezen (waarvan 30.000 vrijwilligers) namen aan Italiaanse zijde deel aan de oorlog. Over hun rol verschillen de meningen. Albanese historici spreken van een massaal overlopen naar Griekse zijde. Uit Italiaanse bronnen is echter geen enkel vonnis met betrekking tot desertie of plichtsverzuim bekend. Op 6 april 1941 werden zowel Joegoslavië als Griekenland door Duitse troepen aangevallen, zij capituleerden respectievelijk op 17 april en 24 april 1941. Op 12 augustus 1941 werden de drie door Italië bezette gebieden formeel een deel van Albanië waardoor een “groot” Albanië ontstond.


partizanen en Duitse bezetting


Reeds kort na de Italiaanse bezetting kwamen de Albanezen in opstand. Vanuit de ondoordringbare Albanese wouden voerden zij guerrilla-acties uit. Albanese, westers georiënteerde liberalen, richtten in 1941 de Balli Kombetar (BK) op. Zij streefden naar een democratische republiek en waren bereid landhervormingen uit te voeren. Daarnaast ontstond de monarchistische Legaliteti van kolonel Abaz Kupi. Met de hulp van Joegoslavische communisten werd op 8 november 1941 de Albanese Communistische Partij (ACP) opgericht, met Enver Hoxha als eerste secretaris. De communisten begonnen direct aan een partizanenstrijd tegen de Italianen. In 1941 vervingen de Italianen Vërlaci en benoemden Mustafa Merlika-Kruja, een vroegere huisknecht van Vërlaci tot premier. In tegenstelling tot Vërlaci voerde Kruja bescheiden landhervormingen uit. In september 1942 verenigden de drie verzetsgroepen zich in het Nationaal Bevrijdingsfront (LNC). Later vormde het LNC de Nationale Anti-Fascistische Raad voor de Bevrijding, voorgezeten door de voormalige fascistische ideoloog - en nu communist - Omer Nishani. Op 13 Februari werd Kruja vervangend door Maliq Bushati. Op 12 mei 1943 werd Libohova opnieuw minister-president. 

 

In 1943 capituleerden de Italianen en namen de Duitsers de macht over in Albanië bang voor een Geallieerde springplank in de Balkan. De in Albanië aanwezige Italianen raakten in Duitse gevangenschap (90.000) of doken onder (45.000). Een kleine minderheid sloot zich aan bij communistische partizanen. De Duitsers stelden een regentschapsraad in en verboden de fascistische partij. Vanaf het begin van de Duitse bezetting moesten de Duitse militairen zich steeds verder terugtrekken. In het najaar van 1944 trokken de Duitsers zich uit Albanië terug. Hoxha en de communisten namen daarop de hoofdstad Tirana in en installeerden een voorlopige regering. De Legaliteti van Kupi en de Balli Kombetar werden verboden. Communisten van de ACP en pro-communistische personen verenigden zich in een Democratisch Front (DF).


het communisme na ww2


Bij de verkiezingen van december 1945 behaalde het DF 93% van de stemmen en vormde het een communistische regering met ACP-secretaris Enver Hoxha als premier. De tweede man in de regering, minister van Binnenlandse Zaken Koci Xoxe, werd echter in deze beginfase van het communisme in Albanië de sterke man. In 1946 werd de monarchie afgeschaft en de Volksrepubliek Albanië uitgeroepen. Koci Xoxe drong aan op nauwe samenwerking met het Joegoslavië van president Tito, maar daar zag de nationalistische premier Enver Hoxha weinig in. Toen Stalin echter het idee van een federatie tussen Albanië en Joegoslavië van de hand wees, werd Xoxe uit het kabinet verwijderd en na een schijnproces geëxecuteerd. Premier Hoxha had nu niets meer te vrezen, want ook de interne oppositie binnen de ACP was nu uitgeschakeld. De betrekkingen met Joegoslavië werden verbroken, evenals de betrekkingen met de meeste westerse landen.  

 

Terwijl er in de Sovjet-Unie een proces van destalinisatie op gang kwam na de dood van Stalin, bleef Hoxha vasthouden aan het stalinisme. Op 23 juli 1954 trad Hoxha als premier af en werd vervangen door zijn rechterhand Mehmet Shehu. Als partijsecretaris van de PPS bleef Hoxha echter de invloedrijkste politicus. Toen Chroesjtsjov in 1961 definitief met het stalinisme brak, zette Hoxha de Russische adviseurs het land uit. Nadien werd de Volksrepubliek China Albaniës voornaamste bondgenoot. Dankzij de Chinese hulp raakte Albanië niet in een compleet isolement.

 

De successen die de communisten boekten, waren in menig opzicht niet gering: het analfabetisme werd teruggedrongen en vanaf de jaren zestig was het geheel verdwenen, vrouwen waren (formeel) gelijkgesteld aan mannen en de levensduur van de gemiddelde Albanees ging omhoog. Daar moesten de Albanezen echter wel een hoge tol voor betalen. Er was sprake van een systematische onderdrukking van de (vermeende) oppositie en dissidenten verdwenen in concentratiekampen. Beïnvloed door Mao's culturele revolutie, begon ook Hoxha in Albanië een culturele revolutie. Vanaf 1967 begon men dan ook een campagne om de godsdienst te ontmoedigen. Met name de Rooms-katholieke Kerk werd keihard aangepakt. Mensen in het bezit van een bijbel of een koran moesten naar de gevangenis of werden opgesloten in een concentratiekamp. Na de dood van Mao Zedong in China en China's toenadering tot het Westen, verbrak Albanië op 13 juli 1978 de betrekkingen met China. Het land was vanaf dat moment compleet geïsoleerd. Zelfvoorziening en autarkie werden onderdeel van de officiële staatsleer. Hoxha liet ongeveer 750.000 eenmansbunkers bouwen op iedere plek die maar enigszins van strategisch belang was.


de val van het communisme


Op 18 december 1981 werd premier en Hoxha’s rechterhand Shehu dood aangetroffen in zijn huis. Volgens Hoxha was Shehu een geheim agent geweest in dienst van de Joegoslaven, de Russen, de Britten en de Amerikanen. Enver Hoxha overleed op 11 april 1985. Staatshoofd Ramiz Alia werd Hoxha's opvolger als partijsecretaris en daarmee de machtigste man. Hoxha's gedachtegoed en het stalinisme bleven de staatsideologie, maar in tegenstelling tot Hoxha, zag Alia het nut in van het opnieuw aanknopen van betrekkingen met andere landen. Met de USSR en de VS werden pas eind jaren tachtig betrekkingen aangeknoopt. Ramiz Alia hield officieel vast aan de atheïstische leer, maar stond godsdienstoefeningen oogluikend toe. Hoewel Alia de perestrojka en de glasnost veroordeelde, voerde hij toch enkele bescheiden hervormingen door. In 1989 mocht men weer godsdienstoefeningen bijwonen en in 1990 werden de moskeeën en kerken opnieuw geopend. In 1991 liet Alia zich tot president kiezen door de Nationale Assemblée. Alia stapte vervolgens uit de PPS. Bij de verkiezingen van februari 1991 werd de PPS de grootste partij en kon de nieuwe partijsecretaris Fatos Nano een kabinet vormen. Na een volksopstand kwam het communistisch regime in juni 1991 definitief ten val en werd er een coalitieregering gevormd, waarin naast de communisten, ook de democraten en de republikeinen toetraden.


democratie


Ali werd op 9 april 1992 opgevolgd door de democratisch gekozen president Sali Berisha die meteen begon met uitgebreide economische hervormingen. Onder zijn bewind verbeterde de relatie met Griekenland en de Griekse minderheid in Albanië, maar de relatie met het voormalige Joegoslavië bleef zeer problematisch vanwege het streven naar autonomie van de Albanezen in de Joegoslavische provincie Kosovo.  

 

In 1996 werden er onder zeer moeilijke omstandigheden parlementsverkiezingen gehouden. De verkiezingen waren frauduleus en werden gekenmerkt door intimidatie en veel geweld, en bovendien geboycot door de socialistische oppositie. Op 28 maart autoriseerde de VN-Veiligheidsraad met resolutie 1101 een internationale troepenmacht in Albanië om hulpgoederen te verdelen en de orde in het land te herstellen. De VN-troepen vertrokken uiteindelijk op 11 augustus. In 1997 braken er ernstige onlusten uit nadat veel Albanezen hun spaargeld verloren hadden na een faillissement van een aantal zeer dubieuze investeringsfondsen. Dit liep bijna uit op een burgeroorlog in het zuiden van het land, maar door vervroegde verkiezingen in juni/juli 1997 werd dit op het nippertje voorkomen. 1999 stond in het teken van de Kosovo-crisis en -oorlog in Joegoslavië. Honderdduizenden Kosovo-Albanezen vluchtten naar Albanië en de Navo mocht onbeperkt gebruik maken van Albanese havens en infrastructuur. In juni 1999 capituleerde Joegoslavië en konden de Kosovaren weer terugkeren naar hun provincie.


de 21ste eeuw


De kwakkelende economie groeide snel, en de strijd tussen Macedoniërs en Albanezen in Macedonië werd bijgelegd. In 2001 begon een groot moderniseringsplan voor het wegen- en spoorwegennet, en de politie ging de strijd aan met de mensenhandel. In januari 2001 werden de sinds April verbroken diplomatieke betrekkingen tussen Albanië en Joegoslavië hersteld. De economie blijft echter een probleem. Een belangrijk struikelblok is de aanpak van de georganiseerde misdaad (mensenhandel, drugshandel, sigarettensmokkel). De bestrijding hiervan wordt in de komende jaren door de EU financieel gesteund. In April 2003 stuurde Albanië militairen naar Irak; een teken van steun aan de Amerikaanse buitenlandse politiek.  

 

De coalitie van de Albanese oppositieleider Sali Berisha werd op 1 september 2005 aangewezen als winnaar van de op 3 juli gehouden parlementsverkiezingen. Dit betekende dat Berisha na acht jaar socialistisch bewind als regeringsleider terugkeerde. Het duurde weken voor de einduitslag bekend kon worden gemaakt omdat meer dan driehonderd klachten over onregelmatigheden moesten worden onderzocht en de verkiezingen in drie districten moesten worden overgedaan. De Democratische Partij van Berisha won 55 van de honderd direct te kiezen zetels. De regerende Socialistische Partij van premier Fatos Nano mocht 42 parlementariërs leveren, de rest van de zetels ging naar drie kleine partijen. In juli 2007 koos Albanie  Bamir Topi tot president. In april 2009 is Albanië toegetreden tot de NAVO. Een paar maanden later in juli 2009 wint de partij van Berisha de parlementsverkiezingen met een krappe meerderheid.  In juni 2013 wint de socialistische partij de verkiezingen en in september wordt Edi Rama de premier. In juni 2014 beveelt de Europese Commissie Albanië aan voor het lidmaatschap van de EU. Servië moet accepteren dat Kosovo onafhankelijk is. Dat zei de premier van Albanië, Edi Rama, in November 2014 in Belgrado tegen zijn Servische collega Aleksandar Vucic. Een gepeperde uitspraak, zeker aangezien het voor het eerst is in 68 jaar dat een Albanese leider op bezoek gaat in Servië. Rama kreeg dan ook prompt het verwijt dat hij "provoceerde". De verstandhouding tussen Albanië en Servië is erg gespannen sinds de oorlog in de jaren 90. Servië weigert Kosovo namelijk te erkennen als land, ook al verklaarde Kosovo zich in 2008 onafhankelijk. Het merendeel van de 1,8 miljoen inwoners is van Albanese origine. De ontmoeting tussen de twee zou eigenlijk al plaatsvinden in oktober. Dat werd uitgesteld, nadat een drone met een vlag van 'Groot-Albanië' een voetbalwedstrijd tussen beide landen had verstoord.


actueel:


Juni 2017 – Socialistische Partij:

De Socialistische Partij van Albanië heeft toch de absolute meerderheid behaald in het parlement. De partij van premier Edi Rama kreeg 48 procent van de stemmen, wat goed is voor 74 van de 140 zetels in het parlement. De socialisten hebben door dit resultaat niet meer de steun nodig van de LSI, waarmee ze voorheen in een coalitie regeerden. De LSI kreeg 19 zetels. De Democratische Partij, de grootste oppositiepartij, kwam niet verder dan 43 zetels. Rama wil hervormingen doorvoeren in Albanië, een van de armste en corrupste landen in Europa.


Juli 2017 - EU:

Een minitop met een aantal toonaangevende Europese landen heeft zes Balkanstaten perspectief geboden voor verdere toenadering tot de EU. In de slotverklaring van de bijeenkomst in het Italiaanse Triëst staat dat de toekomst van Servië, Montenegro, Albanië, Macedonië, Bosnië-Herzegovina en Kosovo in de EU ligt. Doelstelling is de traditionele conflicten tussen deze Balkanlanden, die ook zelf aansluiting willen bij de EU, uit de wereld te helpen door versterking van de economische samenwerking. Zo moet bijvoorbeeld de aanleg van snelwegen en gaspijpleidingen worden bevorderd, net als de uniformering van de douanevoorschriften. Aan de top in Triëst deden onder andere Duitsland, Frankrijk en Italië mee. "Politieke stabiliteit in de regio betekent ook stabiliteit voor ons", zei de Duitse bondskanselier Angela Merkel voor aanvang.